1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Alles over de massaschadeclaims tegen TikTok

Alles over de massaschadeclaims tegen TikTok

In de afgelopen jaren zijn drie zaken tegen social media-platform TikTok gestart. In deze massaschadeclaims wordt de vraag gesteld of TikTok de privacy van kinderen en volwassenen schendt, of de algemene voorwaarden van TikTok onwettig zijn, en of TikTok honderdduizenden Nederlanders een schadevergoeding moet betalen. Waar gaat deze zaak precies over? En wat vindt de rechter hiervan? In dit blog leg ik alles uit over de miljardenclaims tegen TikTok.
Leestijd 
Auteur artikel Thijmen van Hoorn
Gepubliceerd 20 februari 2024
Laatst gewijzigd 20 februari 2024

In 2020 en 2021 zijn een drietal stichtingen opgericht met het doel om privacybelangen van consumenten te beschermen: Stichting Onderzoek Marktinformatie (SOMI), Stichting Take Back Your Privacy (STBYP) en Stichting Massaschade & Consument (SMC). Alle drie hebben een massaschadeclaim ingesteld tegen TikTok op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA).

De claimstichtingen menen dat TikTok de fundamentele (privacy)rechten van haar gebruikers schendt en daarmee ook inbreuk maakt op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Telecommunicatiewet, de Mediawet en bepalingen van consumenten- en mediarecht. Alle drie de claimstichtingen menen dat TikTok de rechten van kinderen schendt. SMC meent daarnaast dat TikTok ook de rechten van volwassenen schendt.

De stichtingen vorderen tussen de € 500,- en € 2.000,- schadevergoeding per gedupeerde, en een serie verklaringen voor recht, verboden en geboden. Zo vorderen ze:

  • Een verklaring voor recht dat TikTok in strijd handelt met de wet;
  • Een verklaring voor recht dat TikTok aansprakelijk is jegens aangemelde gedupeerden en/of alle gebruikers van TikTok;
  • Een vernietiging van de gebruiksvoorwaarden van TikTok;
  • Een verplichting om een effectieve bescherming van kinderen te waarborgen;
  • Schadevergoeding.

Voordat de rechtbank Amsterdam toekomt aan de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen TikTok, heeft zij een aantal voorvragen beantwoord. De laatste voorvraag is beantwoord op 10 januari 2024. In dit blog bespreek ik de uitspraken waarin deze vragen worden beantwoord. Dit blog zal worden aangevuld met de inhoudelijke uitspraken, zodra zij worden gewezen.

De rechtbank heeft de volgende vragen beantwoord:

  1. Mag de Nederlandse rechter hierover oordelen? (ECLI:NL:RBAMS:2022:6488)
  2. Zijn de claimstichtingen ontvankelijk? (ECLI:NL:RBAMS:2023:6694)
  3. Welke van de drie claimstichtingen mag de procedure tegen TikTok voeren? (ECLI:NL:RBAMS:2024:83)

De rechtsmacht van de Nederlandse rechter

De eerste vraag die de rechtbank Amsterdam beantwoordde, is de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen in dit geschil. Hoewel de claimstichtingen Nederlands zijn, is TikTok dat namelijk niet. In deze massaschadeclaim worden 7 organisaties binnen het TikTok-concern aangesproken:

  • TikTok Technology Ltd. (gevestigd in Ierland);
  • TikTok Information Technologies UK Limited (gevestigd in het Verenigd Koninkrijk);
  • TikTok Inc. (gevestigd in Californië, VS);
  • TikTok Pte. Limited (gevestigd in Singapore);
  • ByteDance Ltd. (gevestigd in de Kaaimaneilanden, VK);
  • Beijing ByteDance Technology Co. Ltd. (gevestigd in China);
  • TikTok Ltd. (gevestigd in de Kaaimaneilanden, VK).

De rechtbank Amsterdam oordeelde op 9 november 2022 bevestigend op de vraag of zij rechtsmacht heeft (ECLI:NL:RBAMS:2022:6488).

Partijen zijn het er over eens dat dit geschil voornamelijk over de naleving van de AVG gaat. Artikel 79 van de AVG is duidelijk over de rechtsmacht: een procedure kan worden ingesteld in het land waar de verwerkingsverantwoordelijke een vestiging heeft, én in het land war de betrokkene verblijft. Artikel 80 AVG bepaalt vervolgens dat een claimstichting de rechten van de betrokkene kan uitoefenen, inclusief die uit artikel 79. Het is dan niet meer dan logisch dat ook het recht om een procedure te starten in het land waar de betrokkene woont uitgeoefend kan worden door de stichtingen. Daar komt bij dat de AVG geen uitzondering vormt op de Brussel I-bis Verordening, en dat de Nederlandse rechter ook volgens die verordening bevoegd is. Nederland is immers de plaats waar de schade is ingetreden. De vorderingen die niet zien op de AVG kunnen daardoor ook worden behandeld in Nederland. De rechtbank Amsterdam is dus bevoegd.

Tussenuitspraken over de financieringsovereenkomsten

In de eerste uitspraak geeft de rechtbank ook het bevel aan de claimstichtingen om de financieringsovereenkomsten met hun procesfinancier met de rechtbank te delen. De WAMCA schrijft namelijk voor dat de rechter moet toetsen of een claimstichting over voldoende middelen beschikt om de procedure te kunnen voeren. TikTok krijgt hier geen inzage in. TikTok heeft hier bezwaar tegen gemaakt en wenst ook inzage te krijgen in de overeenkomsten.

In een tussenuitspraak van 14 december 2022 behandelt de rechtbank dit bezwaar (ECLI:NL:RBAMS:2022:7624). Eén van de claimstichtingen (SOMI) is bereid de overeenkomst ook aan TikTok te overleggen, de twee andere niet. De rechtbank ziet aanleiding om de volgorde van zaken te herzien. Eerst zal op de eerstvolgende zitting de ontvankelijkheid van de eisers worden besproken. Daarvoor zijn de overeenkomsten nog niet nodig. Daarom hoeven de overeenkomsten nu nog niet te worden overhandigd. Aan het eind van de eerstvolgende zitting zal de rechtbank zich pas uitlaten over de noodzaak van het inzien van de overeenkomsten, en zal de rechtbank bepalen of TikTok er ook inzage in krijgt.

Op 10 mei 2023 doet de rechtbank nogmaals een tussenuitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2023:3264). Ze bepaalt dat de claimstichtingen inzicht moeten bieden in het aantal belanghebbenden dat zij vertegenwoordigen, hoe zij zich hebben aangemeld, of dit om Nederlanders gaat, en of de belanghebbenden geld hebben betaald aan de stichtingen.

In juni 2023 vindt een mondelinge behandeling plaats, waarin wordt gesproken over de ontvankelijkheid (waarover later meer) en over het inbrengen van de overeenkomsten. De rechtbank bepaalt op 26 juli 2023 dat STBYP en SMC hun overeenkomsten in het geding moeten brengen (ECLI:NL:RBAMS:2023:5504). SOMI heeft dit al uit eigen beweging gedaan. De rechtbank beveelt de twee stichtingen om hun financieringsovereenkomst integraal te overleggen, zodat de rechtbank kan beoordelen of ze draagkrachtig zijn en of de zeggenschap over de zaak voldoende bij de stichtingen zelf ligt. De overeenkomsten moeten ook naar de andere partijen worden verstuurd. Ook moeten de partijen bevestigen dat er geen andere afspraken zijn.

STBYP heeft hier bezwaar tegen aangetekend. Op 16 augustus 2023 oordeelt de rechtbank dat zij bij haar beslissing blijft (ECLI:NL:RBAMS:2023:5239). Het is in het kader van hoor en wederhoor namelijk noodzakelijk dat alle 4 partijen over dezelfde stukken beschikken.

De ontvankelijkheid van de claimstichtingen

Op 25 oktober 2023 doet de rechtbank een inhoudelijke uitspraak over de ontvankelijkheid (ECLI:NL:RBAMS:2023:6694). De eerste stap is de beoordeling of de drie claims tegelijkertijd kunnen worden behandeld.

Er zijn verschillen in de achterban van de claimstichtingen. Alle 3 vertegenwoordigen kinderen, maar SMC vertegenwoordigt ook volwassenen. Ook hebben de stichtingen verschillende gedaagden gekozen binnen het TikTok-concern. De rechtbank oordeelt echter dat dit geen beletsel is voor gezamenlijke behandeling: de 3 dagvaardingen zijn in essentie op hetzelfde gebaseerd, en kunnen dus tegelijkertijd worden besproken.

Vervolgens bekijkt de rechtbank hoe de WAMCA en de AVG zich tot elkaar verhouden. Beide wetten kennen namelijk verschillende ontvankelijkheidseisen. Ten eerste werpt TikTok op dat de AVG in de weg staat aan een gezamenlijke vordering als deze: artikel 80 AVG spreekt over het “opdracht geven” voor het uitoefenen van het recht op schadevergoeding, en hier is geen sprake van een expliciete opdracht van de gedupeerden aan de stichtingen. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Lidstaten kunnen zelf regels vaststellen over collectieve acties: ze mogen het recht op schadevergoeding wegens schending van de AVG in een collectieve actie regelen, ook zonder volmacht van de betrokkene, maar lidstaten zijn niet verplicht om dit te regelen. De Nederlandse wetgever heeft hier wel expliciet voor gekozen, in de WAMCA en in artikel 37 van de UAVG. In tegenstelling tot wat TikTok beweert, staat de AVG hier niet aan in de weg. Overweging 142 van de AVG benoemt namelijk dat een opt-out-systeem voor collectieve acties mogelijk is.

Dit betekent dat de collectieve vordering uit de AVG ook mogelijk is voor een claim onder de WAMCA. De organisatie moet dan echter wel voldoen aan de ontvankelijkheidseisen uit de AVG én uit de WAMCA.

De WAMCA

Voor de WAMCA gelden 9 ontvankelijkheidseisen:

  1. Gelijksoortigheidsvereiste: een belangenorganisatie kan slechts een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen;
  2. Statutenvereiste: belangen moeten zijn benoemd in de statuten;
  3. Waarborgvereiste: belangen moeten zijn gewaarborgd;
  4. Geen winstoogmerk;
  5. Band met Nederlandse rechtssfeer;
  6. Overleg: er moet zijn overlegd met verweerder;
  7. Bestuursverslag en jaarverslag moeten zijn gepubliceerd;
  8. Meerwaarde: het voeren van een collectieve procedure moet efficiënter en effectiever zijn dan individuele vorderingen;
  9. Summierlijke ondeugdelijkheid: de vordering mag niet summierlijk onduidelijk zijn.

Het gelijksoortigheidsvereiste (eis 1) is in deze kwestie direct het heetste hangijzer. De claimstichtingen vorderen vergoeding van materiële en immateriële schade, maar is deze schade wel voor alle betrokkenen gelijk?

Voor wat betreft materiële schade is het onduidelijk of er schade is. De omstandigheid dat persoonsgegevens soms economische waarde hebben, zegt niets over het “verarmd worden” van betrokkenen bij het verstrekken van deze gegevens. Maar, zo oordeelt de rechtbank, dit debat over het betalen met persoonsgegevens moet nog gevoerd worden. Voor de ontvankelijkheidstoets is dit te inhoudelijk. De rechtbank kan wel oordelen over de vraag of deze schade te bundelen valt. Áls TikTok-gebruikers schade lijden door te betalen met persoonsgegevens, dan hebben zij allemaal betaald met persoonsgegevens, en lijden zij dus allemaal dezelfde schade. Dit is dus gelijksoortig van aard.

Dit geldt echter niet voor immateriële schadevergoeding. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde al eerder dat immateriële schade vanwege een privacyschending hoogstpersoonlijk is, en dat de werkelijk geleden schade vergoed moet worden. Daarmee is het dus niet mogelijk om op voorhand een schadebedrag te noemen; dit zal per geval bekeken moet worden. De mogelijke schade van iedere gebruiker hangt immers af van de individuele situatie van die gebruiker en kan dus niet gebundeld worden. Naar haar aard is deze schade dus niet gelijksoortig.

Hiermee wordt een zeer belangrijke factor in de schadeclaim afgewezen: de procedure kan enkel doorgang vinden voor wat betreft de materiële schade. De stichtingen zijn op voorhand niet-ontvankelijk voor wat betreft immateriële schade.

Een andere lastige ontvankelijkheidseis is het waarborgvereiste (eis 3). Wie belangen wil borgen, moet representatief zijn. Maar het is erg lastig in te schatten hoeveel TikTok-gebruikers er zijn en hoeveel daarvan minderjarig zijn. Daardoor valt de representativiteit lastig te beoordelen: schattingen van het percentage aan vertegenwoordigde gebruikers lopen uiteen van 1% tot 8,7%. Toch stapt de rechtbank hier overheen: ook als niet precies vaststaat hoeveel procent van de gebruikers wordt vertegenwoordigd, staat in ieder geval vast dat een aanzienlijke hoeveelheid wordt vertegenwoordigd. Dat is voldoende voor representativiteit.

Maar: representativiteit is niet het enige aspect van de waarborgfunctie. Wie belangen wil borgen, moet ook zeggenschap hebben over de procedure. Dat is voor SMC en STBYP ingewikkeld, want die worden gefinancierd door externen. En die externen, zo blijkt uit de overgelegde financieringsovereenkomsten, hebben ook zeggenschap over hoe de procedure wordt gevoerd. De rechtbank keurt de financieringsovereenkomsten in principe daarom af, omdat de zeggenschap niet voldoende bij SMC en STBYP ligt. Daarmee zouden zij niet-ontvankelijk zijn.
De rechtbank gaat echter niet zo ver dat zij de niet-ontvankelijkheid uitspreekt. Zeker omdat dit de eerste keer is dat een procedure als deze wordt gevoerd, zou dit een onbillijke uitspraak zijn: SMC en STBYP wisten op voorhand niet dat de overeenkomsten onacceptabel zouden zijn. Daarom krijgen ze de kans om de overeenkomst te herzien. Als bij de volgende zitting blijkt dat de overeenkomsten correct zijn aangepast en de zeggenschap voldoende bij SMC en STBYP ligt, zijn zij alsnog ontvankelijk (voor wat betreft materiële schade).

Een derde ontvankelijkheidseis waar de rechtbank over valt is het overlegvereiste (eis 6). Hoewel de stichtingen overleg hebben gevoerd met TikTok, staat niet vast dat SMC álle door haar gedagvaarde partijen heeft gesproken. In ieder geval heeft zij niet overlegd met de entiteiten uit China en Singapore. Daarom is zij niet-ontvankelijk in de vorderingen tegen Beijing Bytedance en TikTok Pte.

De andere 6 eisen vormen voor de rechtbank geen probleem: de belangen zijn genoemd in de statuten (eis 2), er is geen winstoogmerk (eis 4), de achterban bestaat uit Nederlanders (eis 5), het bestuursverslag en jaarverslag zijn gepubliceerd (eis 7), de collectieve actie is efficiënter en effectiever dan individuele acties (eis 8) en de vorderingen zijn niet ondeugdelijk (eis 9).

Er is dus maar deels voldaan aan de ontvankelijkheidseisen uit de WAMCA. In een volgende uitspraak moet hier een definitief oordeel over worden gegeven.

De AVG

Hiermee is de ontvankelijkheidsvraag echter nog niet beantwoord. Er moet niet alleen worden voldaan aan de toets van de WAMCA, maar ook aan de toets van de AVG. Voor de AVG gelden 4 ontvankelijkheidseisen:

  1. De stichting moet volgens het recht van een lidstaat zijn opgericht;
  2. De stichting mag geen winstoogmerk hebben;
  3. De statutaire doelstellingen moeten het algemeen belang dienen;
  4. De stichting moet actief zijn op het toepassingsgebied van de AVG.

Aan deze toets worden geen extra hoge eisen gesteld. Daarmee voldoen alle drie de stichtingen evident aan de 4 eisen, en is voldaan aan de ontvankelijkheidstoets van de AVG.

Tussenconclusie

Deze uitspraak heeft grote gevolgen voor het vervolg van de massaschadeclaim. TikTok Pte en Beijing Bytedance zijn geen partij meer, en de vorderingen uit immateriële schadevergoeding worden niet inhoudelijk behandeld. STBYP en SMC worden “gematst” door de rechtbank, maar moeten hun onafhankelijkheid bewijzen.

De exclusieve belangenbehartiger

Het antwoord op de derde voorvraag volgde op 10 januari 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:83). Er kunnen niet drie stichtingen zijn die dezelfde procedure voeren, dus in deze uitspraak wijst de rechtbank een exclusieve belangenbehartiger aan.

Voordat de rechtbank hier aan toekomt, maakt zij het punt omtrent de financieringsovereenkomsten nog af. STBYP en SMC hadden de opdracht gekregen om de zeggenschap in hun overeenkomsten meer in handen van de stichtingen te brengen. De rechtbank oordeelt dat dit is gelukt: de gewraakte bepalingen zijn verwijderd en/of gewijzigd.
TikTok betoogt nog dat het risico bestaat dat de overeenkomsten op een later moment nogmaals worden gewijzigd, en verzoekt de rechtbank om te bevelen dat wijzigingen onverwijld gemeld moeten worden en ter goedkeuring moeten worden voorgelegd. De rechtbank weigert dit te bevelen. Er is in de procedure immers maar één toetsingsmoment voor de overeenkomsten, en dat is bij de ontvankelijkheidstoets. Het zou onjuist zijn om de ontvankelijkheidstoets op een later moment nogmaals te maken.

De conclusie is dat alsnog is voldaan aan de ontvankelijkheidseisen uit de WAMCA. STBYP, SMC en SOMI zijn dus alle drie ontvankelijk, behalve voor zover de vorderingen zijn gericht tegen TikTok Pte en Beijing Bytedance, en voor zover de vorderingen zien op immateriële schade.

De volgende stap is de vraag wie de meest geschikte eiser is om de exclusieve belangenbehartiger te worden. Volgens artikel 1018e Rv wordt dit beoordeeld aan de hand van 4 omstandigheden:

  1. De omvang van de groep personen voor wie de eiser opkomt;
  2. De grootte van het door deze groep vertegenwoordigde financiële belang;
  3. Andere werkzaamheden die de eiser verricht voor de personen voor wie hij opkomt in of buiten rechte;
  4. Eerdere door de eiser verrichte werkzaamheden of ingestelde collectieve vorderingen.

De rechtbank overweegt dat dit geen limitatieve opsomming is. Het is aan de rechter om in het licht van de concrete aspecten van de zaak te beoordelen welke omstandigheden hij belangrijk vindt. Daarom neemt de rechter, in aanvulling op de 4 wettelijke omstandigheden, ook in overweging welke kennis en ervaring de stichtingen en hun advocaten hebben (waaronder op het gebied van privacy en de WAMCA), welke andere werkzaamheden de stichtingen verrichten, of de stichtingen steun genieten vanuit maatschappelijke organisaties, en hoe de financiering en onafhankelijkheid zijn geregeld en geborgd.

Dat komt neer op de volgende overwegingen:

  • De Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht van STBYP en van SMC hebben beide veel kennis van en ervaring met privacy;
  • STBYP en SMC hebben beide een grote achterban;
  • STBYP werkt samen met de Consumentenbond;
  • Veel andere maatschappelijke organisaties steunen STBYP;
  • SMC komt als enige op voor meerderjarige betrokkenen;

De conclusie is dat STBYP de exclusieve belangenbehartiger wordt van minderjarigen, en SMC van meerderjarigen. De andere partijen blijven wel eiser, maar de exclusieve belangenbehartiger verricht als enige de proceshandelingen. STBYP en SMC moeten hun processtukken wel zoveel mogelijk op elkaar afstemmen.

Hierna moet de rechtbank beoordelen welke vorderingen nu gelden. Omdat de vorderingen van de 3 eisers veel op elkaar lijken, worden de vorderingen van STBYP als uitgangspunt genomen voor zowel minder- als meerderjarigen. De vorderingen tot immateriële schadevergoeding vervallen. Alleen wanneer een vordering specifiek ziet op bescherming van jeugdigen, geldt deze vordering niet voor de groep van meerderjarigen.

Tot slot moet de rechtbank bepalen om welke groep betrokkenen het precies gaat (de “nauw omschreven groepen”). Gezien de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kunnen de nauw omschreven groepen voor de AVG-vorderingen slechts bestaan uit mensen die op het moment van het eerste tussenvonnis (9 november 2022) in Nederland woonden, en voor de onrechtmatige daad-vorderingen slechts bestaan uit mensen die op het moment van het gebruik van TikTok het centrum van hun belangen in Nederland hadden. Omdat dit laatste vrij lastig te bepalen is, bepaalt de rechtbank dat het gaat om mensen die op 9 november 2022 in Nederland woonden en tussen de inwerkingtreding van de AVG (25 mei 2018) en 9 november 2022 TikTok hebben gebruikt. Als betrokkenen bij hun eerste gebruik van TikTok minderjarig waren, vallen zij in de groep “minderjarig”, en als ze bij hun eerste gebruik meerderjarig waren, vallen zij in de andere groep.

Vervolg

Daarmee is de eerste fase afgerond. De tweede fase is het bepalen van de opt-out/opt-in mogelijkheid, schikkingspogingen, en het aanvullen van gronden. Hierover zal in een volgende zitting worden gesproken. Aktes hiervoor zijn ingediend in februari 2024. Dit blog zal worden aangevuld met nieuwe informatie en tussenvonnissen.


Heeft u een vraag over de TikTok-zaak? Wordt uw bedrijf geconfronteerd met schadeclaims? Of heeft u andere vragen over privacy of schadevergoedingen? Neem dan gerust contact op met mij of een van mijn collega’s uit ons multidisciplinaire privacyteam. We helpen u graag met al uw vragen.

Thijmen van Hoorn, advocaat privacyrecht