Zoeken
  1. Behandeling privacyverordening lijkt toch wat moeizaam te verlopen

Behandeling privacyverordening lijkt toch wat moeizaam te verlopen

Op 22 april 2015 heeft de staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie een brief aan de Eerste Kamer gestuurd over de voortgang van de behandeling van de privacyverordening. Het betreft de onderhandelingen in januari, februari en maart 2015. De brief wekt de indruk dat de onderhandelingen nog wel wat moeizaam lopen. Een kleine bloemlezing ter illustratie.Kernpunten van de verordening; onderhandelingen lopen moeizaamHet valt onder meer op dat de onderhandelingen nog steeds gaan over kernonderw...
Auteur artikelMark Jansen
Gepubliceerd29 april 2015
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Op 22 april 2015 heeft de staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie een brief aan de Eerste Kamer gestuurd over de voortgang van de behandeling van de privacyverordening. Het betreft de onderhandelingen in januari, februari en maart 2015. De brief wekt de indruk dat de onderhandelingen nog wel wat moeizaam lopen. Een kleine bloemlezing ter illustratie.



Kernpunten van de verordening; onderhandelingen lopen moeizaam

Het valt onder meer op dat de onderhandelingen nog steeds gaan over kernonderwerpen in de verordening. Uit het verslag lijkt te volgen, zeker tussen de regels door lezend, dat lidstaten op diverse onderwerpen kennelijk nog best ver uiteen liggen. Dit laat eens te meer zien hoe gevoelig het privacyrecht in Europa ligt. Zie in dat kader ook dit citaat:
Vooral de twee grootste lidstaten hebben nog aanzienlijke problemen hebben met alle hoofdstukken. De door deze lidstaten gevolgde methode om telkens nieuwe voorstellen in te dienen blijkt op de Hoofdstukken VI en VII productief te werken. Maar op Hoofdstuk II is de werking averechts. In plaats van dat de gesprekken daardoor loskomen gebeurt het omgekeerde, mede omdat de voorstellen worden ingediend zonder daarvoor eerst voldoende steun te vergaren. Het Voorzitterschap besluit dat tot de JBZ Raad geen nieuwe raadswerk-groepen meer bijeenkomen, maar dat door Radengroepen en het Coreper op diplomatiek niveau doorgewerkt moet worden om de teksten gereed te maken voor behandeling in de JBZ Raad.

Nederland zet in op ruimte voor bedrijfsleven

Ook valt op dat Nederland wil inzetten op een redelijk ruimhartige interpretatie van de verwerkingsgrondslag "gerechtvaardigd belang". Dat is voor de praktijk heel relevant, aangezien die grondslag voor heel veel verwerkingen de enig denkbare grondslag is. Zie in dat kader deze citaten:
Nederland investeert stevig in overleg met enkele lidstaten om op overweging 38, waarin een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip «gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke», een evenwichtig compromis te bereiken. Dat is belangrijk, omdat dit begrip de basis vormt voor zeer veel gegevensverwerkingen van verschillende aard in de private sector. Nederland is beducht voor een al te beperkte interpretatie van dat begrip, omdat innovatief gebruik van gegevens door de private sector daarop veelvuldig is gebaseerd en het beleid er mede op is gericht de verordening een bijdrage te laten leveren aan de ontwik-keling van de digitale economie. Nederland is tevreden over de voorstellen van het Voorzitterschap voor de artikelen 5 (beginselen van gegevensverwerking) en 6 (rechtvaardigings-gronden). Op artikel 6, lid 1, onder f, (gerechtvaardigd belang verantwoor-delijke) stelt Nederland voor om in de parallelle overweging vast te leggen dat archivering ten behoeve van toekomstige geschillenbeslechting en voor de uitvoering van wettelijke verplichtingen in de private sector in beginsel kunnen vallen onder het gerechtvaardigd belang.

Nederland pleit voor meer ruimte voor verwerking bijzondere persoonsgegevens

Ook valt op dat Nederland meer ruimte wil voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, terwijl andere lidstaten die ruimte niet lijken te geven:
Minder tevreden is Nederland over de regeling van de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. In Nederland is in de Wbp op basis van de geldende richtlijn tot in detail geregeld geregeld in welke gevallen het verbod om gevoelige gegevens kan worden doorbroken. Dit stelsel wordt vervangen door een regeling in de verordening. Die regeing kent echter aanzienlijk minder gronden om het verwerkingsverbod te doorbreken dan de huidige richtlijn toelaat. Met specifieke nationale belangen kan niet zonder meer rekening worden gehouden. Dat leidt ertoe dat met verwerkingen van bijzondere persoonsgegevens die in Nederland als algemeen aanvaard worden aangemerkt, zoals de verwerking van gegevens door pensioenfondsen en andere verzekeraars dan ziektekosten-verzekeraars geen rekening gehouden wordt. Wanneer Nederland dit naar voren brengt, wordt daarvoor opvallend weinig begrip ondervonden. Een meerderheid van de lidstaten wijst de Nederlandse visie af, waarschijnlijk omdat de huidige richtlijn in die lidstaten ook op dit punt fundamenteel anders wordt toegepast dan in Nederland. Nederland aanvaardt dit standpunt van de meerderheid van de lidstaten niet zonder meer.

Verschillen in bestaande praktijk

Ook valt op dat Nederland, soms met een haast cynische ondertoon, constateert dat de bestaande privacyrichtlijn kennelijk heel verschillend in de Europese Unie wordt toegepast.
Duidelijk wordt dat de huidige richtlijn in die groep van lidstaten in de afgelopen twintig jaar fundamenteel anders is toegepast dan in Nederland.

(...)

Een meerderheid van de lidstaten wijst de Nederlandse visie af, waarschijnlijk omdat de huidige richtlijn in die lidstaten ook op dit punt fundamenteel anders wordt toegepast dan in Nederland.

Nederland wil misbruik collectieve acties voorkomen

Nederland wil ervoor waken dat collectieve acties in het privacyrecht misbruikt worden. Nederland wil daarom dat collectieve acties alleen mogelijk zijn op basis van een volmacht van de benadeelde particulier. Het verslag maakt niet duidelijk hoe andere lidstaten hierover denken:
Verder heeft Nederland ook bezwaren tegen een uitdrukkelijke collectiefbelangactie die kan worden ingesteld door dergelijke rechtspersonen, maar dan zonder enige particuliere volmacht-verlening, in zaken van datalekken. Nederland is voorstander van het collectiefactierecht, maar dan wel op grond van uitdrukkelijke volmacht-verlening en niet beperkt tot datalekken. Nederland is bovendien sterk gekant tegen het niet uitsluiten van een actie tot schadevergoeding in geld door dergelijke organisaties. Dat opent de weg naar misbruik.

Nederland vreest dat rechter boetebevoegdheid te vaag vindt

Nederland heeft verder de vrees uitgesproken dat de rechter de beginselen van de privacyverordening onvoldoende concreet vindt, om op overtreding daarvan een boete te kunnen plaatsen. Deze discussie kennen we overigens ook van de Nederlandse wet meldplicht datalekken en verhoging boetemaxima.
Nederland heeft, samen met een zeer grote lidstaat zorgen geuit over het risico dat de rechter de algemeen-abstracte normen van de verordening in concrete gevallen onvoldoende nauwkeurig acht om sanctie-oplegging te rechtvaardigen. Voorzienbaarheid is een essentieel element van het sanctierecht, en dat ontbreekt nog. Nederland is ingenomen met de aankondiging van een voorstel van een zeer grote lidstaat voor een bestuurlijke tussenstap in de vorm van een bindende aanwijzing.

Behandeling nog niet voltooid

Het verslag opende met de opmerking dat het de bedoeling was overeenstemming te bereiken op de hoofdstukken II, VI en VII:
Alle vergaderingen in de verslagperiode tot 12 maart 2015 zijn gericht geweest op het bereiken van overeenstemming over de Hoofdstukken II (begin-selen van gegevensbeschermingsrecht), VI en VII (samenwerking toezichthouders).

Het verslag sluit af met de opmerking dat de behandeling van de hoofdstukken III en VIII nog niet is voltooid.
De behandeling van de Hoofdstukken III en VIII is hiermee niet voltooid. Voortzetting volgt in de komende periode.

En eerder in het verslag is opgemerkt dat de precieze status van de onderhandelingen over de andere hoofdstukken onduidelijk is:
De Raad heeft weliswaar een gedeeltelijk algemeen akkoord bereikt op de Hoofdstukken II, VI en VII, maar dit ging niet zonder inhoudelijke discussie. Eerderbedoelde grote lidstaten verlangden aantekening in de besluitvorming, met de strekking dat op een aantal onderdelen nader beraad plaatsvindt, omdat het horizontale onderwerpen betreft. Dat zijn onderwerpen die op meer dan één hoofdstuk betrekking hebben. Nederland kan er daarom niet van uitgaan dat alle onderwerpen die het belangrijk vindt en die in het deelakkoord besloten liggen, daarmee definitief als standpunt van de Raad kunnen worden aangemerkt.

Er lijkt aldus voorzichtig te moeten worden geconcludeerd dat het maar de vraag is of de verlangde overeenstemming is bereikt. Tegelijkertijd bereiken mij ook anderszins signaelen dat het streven zou zijn nog deze zomer tot een finale tekst voor de verordening te komen. Het is dus afwachten hoe de onderhandelingen zich verder ontwikkelen. We blijven het volgen.