1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Belangrijk basis-arrest van het Bundesgerichtshof (BGH) met betrekking tot schadevergoedings- en compensatieclaims tegen de staat na sluiting in verband met Corona

Belangrijk basis-arrest van het Bundesgerichtshof (BGH) met betrekking tot schadevergoedings- en compensatieclaims tegen de staat na sluiting in verband met Corona

Met spanning werd uitgekeken naar de uitspraak van het BGH over de vraag of de staat geheel of gedeeltelijk aansprakelijk is voor inkomstenderving ten gevolge van sluitingen of beperkingen van activiteiten als gevolg van overheidsmaatregelen ter bestrijding van het coronavirus.
Leestijd 
Auteur artikel Susanne Hermsen-Pfeiffer
Gepubliceerd 22 maart 2022
Laatst gewijzigd 22 maart 2022

Soortgelijke procedures zijn aanhangig bij vele rechtbanken, waar de rechters zich nu zullen laten leiden door de beslissing van het BGH. In het thans gewezen arrest (arrest van 17.03.2022, III ZR 79/21) heeft het BGH deze aanspraken op schadevergoeding volledig afgewezen.

Feiten

Een restauranthouder in Brandenburg, wiens horecazaak in 2020 op last van de overheid tijdelijk voor het publiek werd gesloten, leed daardoor grote verliezen. De restauranthouder ontving Corona-noodsteun van de staat, maar dit bedrag dekte slechts een fractie van de gederfde omzet. Daarom heeft de restauranthouder de deelstaat Brandenburg gedagvaard tot vergoeding van het resterende omzetverlies. De rechtszaak is in eerste en tweede aanleg zonder resultaat gebleven. Nu heeft het BGH ook de cassatie verworpen.

Uitspraak

Volgens de uitspraak van het BGH geven de schadevergoedingsbepalingen van het Infektionsschutzgesetz (IfSG) geen recht op schadevergoeding, noch in directe, noch in indirecte toepassing, aan ondernemers die zijn getroffen door een bedrijfssluiting of door een beperking als infektionsschutzrechtliche Nichtstörer (niet-verstorende personen in de zin van de infectiebeschermingswet). 56 Abs. 1 IfSG is niet van toepassing. Voor een aanspraak op schadeloosstelling volgens deze bepaling is vereist dat de betrokkene specifiek en persoonlijk geadresseerde is van een overheidsmaatregel ter bestrijding van infecties. Aan deze vereisten was niet voldaan, omdat eiser samen met een onbepaald aantal personen was aangemerkt als Nichtstörer in de zin van de infectiebeschermingswet en niet specifiek als verdachte van een ziekte of drager van ziekteverwekkers.

Evenmin bestaat er een recht op een geldelijke vergoeding krachtens § 65, lid 1, IfSG. Deze bepaling is alleen van toepassing op maatregelen ter voorkoming van overdraagbare ziekten. De Corona inperkingsverordening, die hier werd toegepast, was echter uitgevaardigd om het virus te bestrijden – niet om het te voorkomen.

Het BGH heeft ook een analoge toepassing van de compensatiebepalingen van het IfSG uitgesloten, aangezien de bewoordingen van de bepalingen ondubbelzinnig zijn en geen ruimte laten voor interpretatie.

Tot slot heeft het BGH ook vorderingen afgewezen op grond van de overheidsaansprakelijkheid overeenkomstig artikel 839, lid 1, zin 1, van het Duitse burgerlijk wetboek (BGB) juncto artikel 34 van de Duitse grondwet (GG) en op grond van een met onteigening gelijk te stellen interventie, aangezien de verordening rechtmatig, evenredig en noodzakelijk was.

Het verlenen van steun aan economische sectoren die zwaar door de pandemie waren getroffen, valt niet onder de aansprakelijkheid van de overheid. Het beginsel van de sociale staat houdt alleen een verplichting in om binnen de staat compensatie te bieden. De nadere uitwerking blijft aan de wetgever overgelaten. Tijdens de pandemie had de staat aan deze verplichting voldaan door noodsteunprogramma's op te zetten.