Zoeken
  1. Bieder op internetveiling vooralsnog niet gebonden aan gemaakte vergissing

Bieder op internetveiling vooralsnog niet gebonden aan gemaakte vergissing

Op 25 juni 2014 heeft via internet de executieveiling van een bedrijfspand bij inzet en afslag plaatsgevonden. Nadat de inzet was bepaald op € 514.000,00 heeft vervolgens de afslagfase plaatsgevonden, waarbij door X is afgemijnd op een bedrag van € 550.000,00. Pas na het afmijnen realiseert X zich dat de koopprijs in totaal € 1.064.000,00 (plus kosten) zou bedragen in plaats van € 550.000,00, welke X in gedachten had. De bank heeft een kort geding aangespannen tegen X waarbij in geschil is of...
Artikel | 10 september 2014 | Ruben Berentsen
Op 25 juni 2014 heeft via internet de executieveiling van een bedrijfspand bij inzet en afslag plaatsgevonden. Nadat de inzet was bepaald op € 514.000,00 heeft vervolgens de afslagfase plaatsgevonden, waarbij door X is afgemijnd op een bedrag van € 550.000,00. Pas na het afmijnen realiseert X zich dat de koopprijs in totaal € 1.064.000,00 (plus kosten) zou bedragen in plaats van € 550.000,00, welke X in gedachten had. De bank heeft een kort geding aangespannen tegen X waarbij in geschil is of X het bedrijfspand voor € 1.064.000,00 zou moeten afnemen.

Centraal staat de vraag of een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

Door de advocaat van X is aannemelijk gemaakt dat de wil van X er niet op gericht was dat X het bedrijfspand zou kopen voor € 1.064.000,00 plus bijkomende kosten. Dit blijkt uit het feit dat X onmiddellijk telefonisch contact heeft opgenomen met de in het veilinghuis aanwezige kandidaat-notaris, waarin X heeft aangegeven dat sprake was van een vergissing. Tevens is aangevoerd dat een bedrag van € 1.064.000,00 buitengewoon hoog is voor een dergelijk bedrijfspand gezien het feit de executiewaarde van het pand aanmerkelijk lager ligt dan het door X uitgebrachte bod. Ook het feit dat twee deskundige vastgoedveilingnotarissen van mening waren dat het bod van X ongeldig had moeten worden verklaard, speelt mee in de beslissing van de voorzieningenrechter. Volgens de voorzieningenrechter staat onvoldoende vast dat de Bank een beroep toekomt op artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek. Gelijk nadat X heeft aangegeven aan de kandidaat-notaris dat sprake was van een vergissing, heeft de kandidaat-notaris overleg gehad met de bank, waardoor niet uit te sluiten valt dat de bank voor de gunning van de vergissing van X op de hoogte was.

Op basis van het hiervoor genoemde is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat geen perfecte overeenkomst tot stand is gekomen.

In Nederland worden voor executie- en vrijwillige veilingen twee systemen gehanteerd. In bepaalde delen van het land is de koopprijs het bedrag waarvoor een koper afmijnt. In andere delen van het land wordt het systeem gehanteerd waarbij het bedrag van de inzet en het bedrag van de afslag bij elkaar worden opgeteld. Mede gezien deze uitspraak zou het duidelijker zijn om landelijk één systeem te hanteren, zodat geen verwarring over de uiteindelijke koopprijs kan ontstaan.

Bron: Vzngr. Rb. Rotterdam 4 augustus 2014, nr C/10/455101 / KG ZA 14-675 (RBRT:2014:669)

Door: Ruben Berentsen, Marleen Vermeulen en Anita van Wijk