Box 3: versnelde overgang naar een vermogenswinstbelasting
Novelle op de Wet werkelijk rendement box 3
Het eerder ingediende wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 gaat voor financiële instrumenten op dit moment uit van een vermogensaanwasbelasting, die ingevoerd zou moeten worden vanaf 1 januari 2028. Daarbij zouden naast directe inkomsten, zoals rente en dividend, ook ongerealiseerde waardestijgingen jaarlijks in de heffing worden betrokken.
Voorgesteld wordt om deze systematiek via een novelle aan te passen. Vanaf 1 januari 2028 zou voor alle financiële instrumenten, waaronder aandelen, obligaties en opties, een vermogenswinstbelasting gaan gelden. Volgens het kabinet valt daarmee circa 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 onder de vermogenswinstbelasting. Vanaf 1 januari 2030 zou deze systematiek ook voor de overige vermogensbestanddelen gaan gelden.
Bij een vermogenswinstbelasting wordt een waardestijging in beginsel belast op het moment waarop deze wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop. Ongerealiseerde waardestijgingen blijven buiten de heffing. Belastingplichtigen zullen daardoor wel de verkrijgingsprijzen en gerealiseerde resultaten van hun bezittingen moeten bijhouden.
Begrip
Vermogenswinstbelasting: Bij een vermogenswinstbelasting wordt een waardestijging van vermogen pas belast op het moment waarop deze wordt gerealiseerd. Dit verschilt van vermogensaanwasbelasting waarbij ook ongerealiseerde waardestijgingen jaarlijks in de heffing worden betrokken. Directe inkomsten uit vermogen, zoals rente en dividend, worden in beide varianten eveneens in aanmerking genomen.
NSW-landgoederen
Het kabinet heeft aangegeven dat zij een eerder ingediende motie zullen meenemen in de verdere uitwerking van de vermogenswinstbelasting in box 3. In de motie wordt gesproken over een doorschuifregeling of vrijstelling voor opstallen op NSW-landgoederen bij schenking of vererving van dergelijke landgoederen.
Wijzigingen in box 2 en box 3
De budgettaire dekking voor de versnelde overgang naar een vermogenswinstbelasting wordt binnen box 2 en box 3 gevonden. De belangrijkste voorgestelde maatregelen zijn hieronder opgenomen.
Tijdelijke verlaging tarief tweede schijf box 2
Voorgesteld wordt om het tarief van de tweede schijf in box 2 vanaf 1 januari 2027 voor vier jaar te verlagen van 31% naar 29,2%. Het tarief van de eerste schijf blijft 24,5%. Met de tijdelijke verlaging wil het kabinet ondernemers stimuleren om vermogen uit de vennootschap te halen.
Voor dga’s en andere aanmerkelijkbelanghouders die een dividenduitkering of aandelenverkoop overwegen, kan de tijdelijke tariefverlaging aanleiding zijn om de timing daarvan opnieuw te beoordelen.
Afbouw regeling excessief lenen
Daarnaast wordt voorgesteld om het maximumbedrag voor excessief lenen bij de eigen vennootschap vanaf 2027 in vijf jaarlijkse stappen van € 80.000 te verlagen tot € 100.000. Eigenwoningschulden blijven buiten de regeling.
Voor dga’s met schulden aan de eigen vennootschap kan dit ertoe leiden dat vanaf 2027 jaarlijks een groter deel als fictief regulier voordeel in box 2 wordt belast. Het is daarom raadzaam om de schuldpositie en eventuele mogelijkheden tot aflossing of herfinanciering tijdig in beeld te brengen.
Aanpassingen binnen box 3
In box 3 worden verder de volgende wijzigingen voorgesteld:
- Heffingsvrij vermogen. Het heffingsvrije vermogen wordt per 2027 verlaagd naar € 30.846.
- Heffingsvrij resultaat. Vanaf 2028 wordt een heffingsvrij resultaat van € 1.000 voorgesteld. Het kabinet wijst erop dat bij een rente van 2% over de eerste € 50.000 spaargeld dus effectief geen belasting zal zijn verschuldigd.
- Forfait overige bezittingen. Het forfait voor overige bezittingen wordt in 2027 met 1,5 procentpunt verhoogd van 6,37% naar 7,87%.
Inkomstenbelasting: tariefschijven en heffingskortingen
Naast de vermogensmaatregelen past het kabinet het koopkrachtpakket voor 2027 aan. Dit betreft aanpassingen van (i) de hoogste tariefschijf in box 1, (ii) de algemene heffingskorting en (iii) de arbeidskorting.
Tarief box 1
Voorgesteld wordt om de inkomensgrens voor het toptarief van 49,50% te verhogen van € 78.426 naar € 80.578. Hierdoor wordt een groter deel van het inkomen belast tegen 38,16%. De grens tussen de eerste en tweede schijf en de tarieven zelf wijzigen niet ten opzichte van het oorspronkelijke Belastingplan 2027.
| Inkomen (box 1) | Tarief 2027 |
| € 0 - € 39.247 | 36,23% |
| € 39.248 - € 80.578 | 38,16% |
| € 80.579 en hoger | 49,50% |
Voor AOW-gerechtigden en voor belastingplichtigen geboren vóór 1 januari 1946 gelden separate tabellen.
Algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting wordt niet in bedrag verhoogd. Door de hogere schijfgrens wordt de algemene heffingskorting wel over een groter inkomenstraject langzamer afgebouwd. Hierdoor blijft de korting voor belastingplichtigen met een inkomen rond de nieuwe schijfgrens langer op een hoger niveau in stand.
Arbeidskorting
De eerder voorgestelde beleidsmatige verhoging van de arbeidskorting wordt verlaagd van
€ 173 naar € 133.
Tijdpad in één oogopslag
| Moment | Onderwerp | Voorgestelde wijziging |
| 1 januari 2027 | Box 1, Box 2, box 3 en inkomstenbelasting |
|
| 1 januari 2028 | Box 2, box 3 |
|
| 1 januari 2029 | Box 2 |
|
| 1 januari 2030 | Box 2, box 3 |
|
| 1 januari 2031 | Box 2 |
|
Tot slot
De maatregelen zijn op dit moment nog voorstellen. De uiteindelijke vormgeving is afhankelijk van de parlementaire behandeling, waaronder de behandeling van de novelle op de Wet werkelijk rendement box 3. Wij houden de ontwikkelingen voor u in de gaten.
Wilt u weten wat deze voorstellen voor uw situatie betekenen? Neem dan contact op met uw vaste aanspreekpunt bij Dirkzwager legal & tax.