De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Branchevereniging geen belanghebbende bij marktanalysebesluit NZa

Branchevereniging geen belanghebbende bij marktanalysebesluit NZa

Eind december 2020 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) aan Emergis, een grote ggz-instelling, een contracteerverplichting en een transparantieverplichting opgelegd omdat Emergis aanmerkelijke marktmacht zou hebben. De Vereniging Geestelijke Gezondheidszorg Nederland (VGGN) heeft tegen dit besluit beroep ingesteld om een ongunstig precedent voor haar leden te voorkomen. Het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBb) oordeelde in de uitspraak van 16 maart 2021 echter dat de VGGN geen belanghebbende is bij het besluit van de NZa.
Leestijd 
Auteur artikel Pascalle Boerrigter
Gepubliceerd 07 april 2021
Laatst gewijzigd 07 april 2021
 

Het bestreden besluit

De NZa ziet er op toe dat de zorg in Nederland voor iedereen toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit blijft. Gezonde concurrentie tussen zorgaanbieders is daarvoor essentieel. Als een zorgaanbieder te groot wordt en aanmerkelijke marktmacht (AMM) heeft, kan dit de marktwerking verstoren. Van AMM is sprake als bepaalde zorgaanbieders of zorgverzekeraars in staat zijn zich onafhankelijk van de andere marktpartijen te gedragen, zodat zij hun concurrenten kunnen uitsluiten en/of consumenten kunnen uitbuiten. De NZa kan in dat geval (op grond van artikel 48 Wmg) verplichtingen aan een zorgaanbieder opleggen om de daadwerkelijke mededinging te bevorderen en daarmee de publieke belangen te beschermen. Van die bevoegdheid heeft de NZa gebruik gemaakt door zorgaanbieder Emergis, een ggz-instelling, een contracteerverplichting en een transparantieverplichting op te leggen.

Dat wordt geoordeeld dat een zorgaanbieder AMM heeft en wordt gedwongen tot contractering, is uitzonderlijk. Veel vaker is het juist de zorgverzekeraar die aan de onderhandelingstafel de boventoon voert. Géén contract betekent voor een zorgaanbieder immers lagere vergoedingen en meer administratieve lasten. Onder die dreiging kunnen zorgverzekeraars vaak gunstige contractsvoorwaarden bedingen en is het voor zorgaanbieders vaak ‘tekenen bij het kruisje’. In dit geval lag dat echter anders, omdat Emergis volgens de NZa zo groot was in de provincie Zeeland, dat CZ (de grootste zorgverzekeraar in de regio) niet of nauwelijks aan haar wettelijke zorgplicht zou kunnen voldoen als Emergis een patiëntenstop zou instellen. Dit leverde juist voor Emergis een stevige positie op in de contractsonderhandelingen. Naturaverzekeraars moeten immers, dat bevestigt dit besluit maar weer eens, voldoende zorg inkopen voor hun verzekerden.

Zowel Emergis als de VGGN hebben tegen het besluit van de NZa beroep ingesteld. Daarnaast hebben zowel Emergis als de VGGN verzocht de VGGN aan te merken als derde-belanghebbende in het beroep van Emergis. De beide zaken zijn gevoegd behandeld, waarbij in eerste instantie alleen is onderzocht of de VGGN ontvankelijk is in haar beroep en of zij in het beroep van Emergis als derde-belanghebbende kan worden aangemerkt.

VGGN is geen belanghebbende

Om ontvankelijk te zijn in haar beroep dient de VGGN te kwalificeren als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb. Daarvoor is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een eigen, persoonlijk (dat wil zeggen: voldoende onderscheidend), objectief bepaalbaar, actueel en voldoende zeker belang dat bovendien rechtstreeks bij het besluit is betrokken. De VVGN meende dat zij als branchevereniging binnen de ggz voldoet aan die vereisten. De VGGN voerde aan dat haar leden, allemaal ggz-instellingen, een persoonlijk belang hebben en rechtstreeks door het bestreden besluit worden geraakt. Volgens de VGGN lag er namelijk geen zorgvuldig (markt)onderzoek ten grondslag aan het betreffende besluit en heeft de NZa op basis van enkel de theoretische mogelijkheid, dat Emergis over aanmerkelijke marktmacht zou beschikken, zware verplichtingen opgelegd. De NZa heeft daarbij volgens de VGGN niet onderzocht of zorgverzekeraars in de praktijk ook daadwerkelijk problemen ervaren met de contractering. De VGGN vreesde dat dit besluit een precedent zou scheppen met directe gevolgen voor meerdere van haar leden, die net als Emergis om historische redenen in een bepaald werkgebied ook een relatief hoog marktaandeel hebben en tegelijkertijd te maken hebben met de compenserende inkoopmacht van zorgverzekeraars en andere zorginkopers. Daarnaast was volgens de VGGN sprake van een concrete, actuele dreiging dat de NZa ook tegen andere leden van de VGGN AMM-maatregelen zou inzetten. De VGGN heeft er in dat kader op gewezen dat de NZa de ggz-sector in het bestreden besluit nauwgezet in kaart heeft gebracht. Bovendien heeft de NZa bij herhaling laten blijken dat zij met de aan Emergis opgelegde verplichtingen ook aan andere zorgaanbieders een signaal wil afgeven. Met name over de uitspraak van de NZa dat zorgaanbieders patiëntenstops soms ten onrechte als onderhandelingsinstrument inzetten maakte de VGGN zich zorgen. Volgens de VGGN zijn patiëntenstops voor zorgaanbieders noodzakelijk als er te weinig zorg is ingekocht. Zij kunnen de zorg immers niet gratis leveren. Door het besluit van de NZa en de uitspraken nadien lopen, volgens de VGGN, haar leden het risico dat de NZa deze, in de woorden van de VGGN, “volstrekt legitieme en gebruikelijke dynamiek tijdens de zorgcontractering” aangrijpt om ook aan andere leden AMM-maatregelen op te leggen. Daarmee worden zij per direct beknot in hun contractsvrijheid en in hun vrijheid van ondernemerschap. De VGGN meende daarom als belanghebbende te moeten worden aangemerkt. Het CBb ging daarin echter niet mee.

Volgens het CBb heeft het bestreden besluit alleen rechtstreekse gevolgen voor Emergis en niet mede voor andere leden van de VGGN. De NZa heeft immers alleen aan Emergis verplichtingen opgelegd en niet (tevens) aan andere aanbieders van geestelijke gezondheidszorg. De door de VGGN aangevoerde bezwaren met betrekking tot de totstandkoming en onderbouwing van het bestreden besluit en de vrees van het VGGN dat het bestreden besluit een ongunstig precedent zal scheppen voor andere leden doen daaraan volgens het CBb niets af. Het CBb acht het daarbij relevant dat op basis van het bestreden besluit niet vaststaat dat de NZa in de toekomst ook verplichtingen zal opleggen aan andere leden van de VGGN die aanmerkelijke marktmacht hebben. Daarvoor is immers een op de betreffende zorgaanbieder toegespitste beoordeling en marktanalysebesluit nodig. Dit alles maakt dat de VGGN volgens het CBb geen belanghebbende is bij het bestreden besluit en niet-ontvankelijk is in haar beroep tegen dat besluit.

Vervolg

Aan een inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit is het CBb nog niet toegekomen. In haar uitspraak van 16 maart 2021 in de procedure van Emergis heeft het CBb aangekondigd dat het verzoek om een voorlopige voorziening begin april verder zal worden behandeld. Dan zal duidelijk worden of de door de NZa opgelegde contracteerverplichting en transparantieverplichting (voorlopig) overeind kunnen blijven of niet.