Zoeken
  1. Compensatie van planschade in natura: een nieuwe benadering!

Compensatie van planschade in natura: een nieuwe benadering!

Er is de laatste jaren veel rechtspraak verschenen over de mogelijkheden en wijze van compensatie in natura. In dit artikel bespreek ik de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 17 oktober 2018, over planschade in het Utrechtse stadsdeel Leidsche Rijn. Deze uitspraak is interessant omdat de Afdeling een nieuwe benadering introduceert: die van de kans dat de schade in de toekomst wordt weggenomen.
Auteur artikelHanna Zeilmaker
Gepubliceerd13 november 2018
Laatst gewijzigd13 november 2018
Leestijd 

Tegemoetkoming in planschade kan bestaan uit compensatie in natura. De overheid stelt dan een nieuw bestemmingsplan vast waarmee de nadelen uit het eerdere bestemmingsplan worden weggenomen of beperkt. Schadevergoeding in geld kan dan achterwege blijven, omdat de tegemoetkoming in de schade anderszins is verzekerd.

Schadebeperkend bestemmingsplan

De eigenaar van een woning te De Meern verzocht om vergoeding van planschade als gevolg van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan dat voorziet in een castellum met publieke functies. De door de gemeente geraadpleegde deskundige adviseerde dat sprake was van een algehele verslechtering van de woonsituatie en van waardevermindering van de woning als gevolg van het in 2011 in werking getreden bestemmingsplan. In januari 2015 was echter een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage gelegd, die volgens de deskundige zou leiden tot een vermindering van de planschade met een bedrag van € 7.500,-.

In hoger beroep komt de vraag aan de orde of met die voorgenomen herziening, die nog niet onherroepelijk en dus onzeker was, rekening mocht worden gehouden.

Criteria planschade in natura

De Afdeling zet de criteria voor tegemoetkoming van planschade in natura op een rij en verwijst naar de 'standaarduitspraak' over planschade van 28 september 2016:

  • Tegemoetkoming in planschade kan bestaan uit compensatie in natura, in welk gevallen schadevergoeding in geld achterwege kan blijven, omdat tegemoetkoming in de schade anderszins is verzekerd.
  • De voorkeur van degene die schade lijdt voor een bepaalde wijze van compenseren, is niet doorslaggevend. Het bestuursorgaan mag uitgaan van de wijze van compenseren die de laagste kosten met zich brengt.
  • Het is niet noodzakelijk dat de schade al ten tijde van het ontstaan daarvan in natura is gecompenseerd. Het gaat er om of ten tijde van de beslissing op het verzoek om tegemoetkoming in planschade die tegemoetkoming voldoende anderszins is verzekerd.
  • Bij compensatie in natura is voorafgaande vaststelling van de schade in geld niet noodzakelijk.
  • Compensatie in natura kan bij planschade in de vorm van waardevermindering door een wijziging van het planologische regime van de onroerende zaak van de aanvrager (de zogenoemde directe planschade) onder meer bestaan uit herstel van de door een wijziging van het planologische regime weggevallen bouwmogelijkheid. 
  • De compensatie kan bij de zogenoemde indirecte planschade (wijziging planologische regime op gronden van derden) onder meer bestaan uit herstel van de door een wijziging van het planologische regime verruimde bouw- of gebruiksmogelijkheden van gronden van derden, of door het alsnog verbinden van beperkende bouw- of gebruiksvoorschriften aan het nieuwe planologische regime.
  • Tegemoetkoming in schade door compensatie in natura is niet voldoende anderszins verzekerd, wanneer deze afhankelijk is van een toekomstige, onzekere gebeurtenis.
  • Wanneer het, gelet op de te doorlopen planologische "herstelprocedures", niet geheel zeker is of dit planologische regime in werking zal treden, betekent dit niet zonder meer dat compensatie in natura zinledig is. Voorwaarde is dan dat het bestuursorgaan zodanige toezeggingen heeft gedaan, dat de onzekerheid over deze procedures voldoende is ondervangen. Daarbij komt betekenis toe aan de omstandigheid of met deze toezeggingen met voldoende zekerheid vaststaat dat, als de compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, de hoogte van het alsnog uit te betalen bedrag na inwinning van advies bij ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs, zal worden vastgesteld en dat dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag.
  • de compenserende voorziening moet, gedurende een voldoende lange periode, ook worden geboden aan rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel.

Casus Utrecht

De gemeente Utrecht had de door de Afdeling gestelde criteria niet goed toegepast. De gemeente had namelijk in haar besluit over de toekenning van planschade bepaald dat de tegemoetkoming in geld met een extra bedrag van € 7.500,00 zou worden verhoogd, indien de herziening van het bestemmingsplan niet vóór 30 september 2016 zou worden vastgesteld of na vaststelling niet onherroepelijk zou worden. De gemeente had de tegemoetkoming in planschade in de vorm van compensatie in natura dus onder meer afhankelijk gesteld van de toekomstige, onzekere gebeurtenis dat de herziening, na vaststelling, ook onherroepelijk wordt. Daarbij had de gemeente de onzekerheid over de duur en uitkomst van een beroepsprocedure niet ondervangen door in het besluit op te nemen dat uitbetaling van het extra bedrag na een in het besluit vastgestelde datum zal plaatsvinden, indien de herziening op die datum niet onherroepelijk zou zijn. Omdat de herziening ten tijde van het besluit van de gemeente nog niet onherroepelijk was, kon de gemeente er niet van uitgaan dat tegemoetkoming in een deel van de door de eigenaar geleden planschade voldoende anderszins was verzekerd.

 

Dat had ook gevolgen voor het door de gemeente conform het advies van de onafhankelijk deskundige bepaalde bedrag van € 7.500,-. De gemeente had namelijk de planologische voordelen van de planherziening vertaald naar een uit te betalen bedrag dat zou worden uitbetaald als de herziening niet onherroepelijk zou worden. In de bestemmingsplanprocedure over de herziening ging de herziening onderuit en moest de gemeente een herstelbesluit nemen. Omdat dat herstelbesluit er nog niet was toen de Afdeling in hoger beroep over de compensatie in natura oordeelde was het niet duidelijk of en zo ja, in hoeverre de herziening van het bestemmingsplan zal leiden tot een verbetering van de privacy en tot een vermindering van de te ondervinden geluidoverlast. Daardoor viel niet uit te sluiten dat het door de gemeente vast te stellen compenseren de bestemmingsplan voor de eigenaar uiteindelijk helemaal geen of geringere planologische voordelen met zich zou brengen dan het in mei 2016 vastgestelde compenserende bestemmingsplan. Omdat het vastgestelde bedrag van € 7.500,- was gebaseerd op het in mei 2016 vastgestelde bestemmingsplan zou in dat geval voor een deel van de schade, namelijk het verschil tussen het planologische regime van het besluit van 26 mei 2016 en het planologische regime van het nog te nemen herstelbesluit, geen tegemoetkoming zijn toegekend.

Het besluit van de gemeente gaat dan ook (mede) om die reden onderuit. Zoals we wel vaker zien voorziet de Afdeling bestuursrechtspraak in een definitieve oplossing van het geschil. De Afdeling overweegt dat het onzeker is of er een compenserend bestemmingsplan zal worden vastgesteld dat de rechterlijke toets kan doorstaan. Verder is niet duidelijk in hoeverre met een herstelbesluit het hier relevante deel van de geleden schade, waarvoor het college in het besluit van 26 januari 2016 geen tegemoetkoming in geld heeft toegekend, alsnog wordt weggenomen. Daarvoor zou het college te zijner tijd advies aan een deskundige dienen te vragen. De Afdeling vindt het, mede gezien het tijdsverloop in de planschadeprocedure, niet in het belang van de eigenaar, noch in het belang van het college om een en ander af te wachten, en voorziet zelf in de zaak. Dat doet zij door het besluit van de gemeente te herroepen, maar uitsluitend voor zover daarbij is bepaald dat de aan de eigenaar toegekende tegemoetkoming in planschade met een bedrag van € 7.500,00 wordt verhoogd, indien het bestemmingsplan Hoge Woerd, eerste herziening, niet vóór 30 september 2016 wordt vastgesteld of na vaststelling niet onherroepelijk wordt. De Afdeling bepaalt dat de gemeente aan de eigenaar een aanvullende tegemoetkoming in planschade toekent, rekening houdend met de kans dat de schade in de toekomst (voor een deel) wordt weggenomen. De Afdeling stelt de hoogte van de tegemoetkoming naar redelijkheid en billijkheid vast op de helft van het in het besluit van 26 januari 2016 vermelde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen met ingang van de datum van ontvangst van de aanvraag.

Commentaar

Deze uitspraak is interessant, omdat de Afdeling hierin een nieuwe benadering kiest. Om de verzoeker om planschade niet jarenlang te laten 'bungelen' in afwachting van het onherroepelijk worden van het 'compensatieplan' wordt de compensatie in natura benaderd op basis van de kans dat die compensatie er inderdaad gaat komen. Het is de vraag of deze nieuwe benadering ook aan de orde is als de gemeente ervoor kiest om het bedrag van de planschade niet vooraf te laten begroeten, maar besluit dat een deskundige zal beoordelen of er aan het einde van de rit een te vergoeden bedrag aan de orde is.  Omdat de Afdeling uitdrukkelijk verwijst naar de lange duur van de planschadeprocedure is dat wel waarschijnlijk. 

Heeft u vragen over planschade en over de mogelijkheid van compensatie in natura?
Neemt u gerust contact op!