De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Corona: onteigening in buitengewone omstandigheden?

Corona: onteigening in buitengewone omstandigheden?

Het coronavirus heeft grote gevolgen voor burgers, bedrijven en overheden wereldwijd. In Nederland zijn handzeep en mondkapjes vrijwel nauwelijks meer verkrijgbaar. Kan de overheid door middel van onteigening maatregelen nemen?
Auteur artikelHanna Zeilmaker
Gepubliceerd23 maart 2020
Laatst gewijzigd26 maart 2020
Leestijd 

Onteigening in buitengewone omstandigheden


Als er sprake is van ‘buitengewone omstandigheden’ kunnen op voordracht van de Minister-President bij Koninklijk besluit de artikelen 76a bis tot en met 76f (in titel III van de) Onteigeningswet in werking treden. Het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ is ontleend aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Een definitie van het begrip is niet gegeven. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met ‘buitengewone omstandigheden’ wordt bedoeld de drempel om noodbevoegdheden uit te voeren (artikel 103 Grondwet). Er moet daarbij in ieder geval aan twee voorwaarden zijn voldaan: (I) er moet sprake zijn van een omstandigheid waarin een vitaal belang wordt bedreigd en (II) de normale bevoegdheden moeten niet toereikend zijn om deze bedreiging af te wenden.

Op grond van artikel 76a ter Onteigeningswet kunnen levensmiddelen, grondstoffen van levensmiddelen, huishoudelijke artikelen en brandstoffen onmiddellijk in bezit worden genomen op de last van de burgemeester, na machtiging van de minister van Economische Zaken. Deze zaken kunnen ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de bevolking of bestaande bedrijven in de gemeente. Veder biedt artikel 76fbis Onteigeningswet burgermeesters de mogelijkheid – na machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken – om aanwezige gebruiksartikelen, bestemd voor bescherming en ontsmetting bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen, onmiddellijk in bezit te nemen. Gelet op de ernst en omvang van de huidige coronapandemie kan dit artikel naar ons oordeel worden toegepast.

Titel III Onteigeningswet zou gebruikt kunnen worden voor de onteigening van grote partijen beschermingsmiddelen, zoals handzeep en mondkapjes, voor zover deze voorhanden zouden zijn. Onteigening op grond van titel III is voor zover wij weten bovendien nog niet eerder toegepast. De ombouw van bestaande productielocaties, zodat meer producten waar nu een tekort aan is geproduceerd kunnen worden, ligt eerder in de rede. Daarop zijn de ‘reguliere’ onteigeningstitels (IIa en IV) van toepassing. Onteigening en ombouw van productielocaties zal echter tijdrovend en kostbaar zijn en daarom naar verwachting (zeer) terughoudend worden toegepast.

Vordering en distributie van beschermingsmiddelen


De overheid kan voor het verkrijgen van beschermingsmiddelen ook een beroep doen op de Vorderingswet en Distributiewet. Ook gedeeltes van deze wetten kunnen in het geval van buitengewone omstandigheden bij koninklijk besluit – op voordracht van de Minister-President – in werking worden gesteld.

1. De Vorderingswet

De Vorderingswet bepaalt dat alle ministers bevoegd zijn, ten behoeve van de Staat, andere lichamen, of personen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van zaken te vorderen indien dit noodzakelijk is met het oog op de behartiging van belangen van tot hun zorg behorende aangelegenheden. De eigenaar of rechthebbende heeft daarbij recht op schadeloosstelling. Deze schadeloosstelling wordt, voor zover een eigendomsrecht is gevorderd, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 40 tot en met 45 van de Onteigeningswet.

Het vorderen van deze eigendoms- en gebruiksrechten geschiedt bij vorderingsbeschikking. De minister kan in deze beschikking tijd en plaats bepalen voor het verschaffen van het feitelijke gebruik van de gevorderde zaak. Indien de minister een gebruiksrecht vordert, dan moet hij in de beschikking de inhoud van dit recht omschrijven. Het gebruiksrecht ontstaat op het moment dat hij de feitelijke macht over de uitoefening van het gebruiksrecht verkrijgt, of op een in de beschikking bepaald tijdstip. Indien het gaat om de vordering van een eigendomsrecht kan in de vorderingsbeschikking worden bepaald dat de zaak zonder bestaande lasten en rechten overgaat. De minister kan eventueel een last onder bestuursdwang opleggen indien de oorspronkelijke rechthebbende medewerking weigert.

Toepassing van deze wetsartikelen zou beteken dat de minister bijvoorbeeld kan beschikken over fabrieken zodat er meer van de producten waaraan nu een tekort bestaat – zoals mondkapjes – te produceren. We willen hierbij wel de kanttekening plaatsen dat onbekend is hoeveel fabrieken in Nederland wel de mogelijkheid hebben om benodigde producten te fabriceren maar dat tot op heden niet doen.

2. De Distributiewet

Ook de Distributiewet biedt mogelijkheden. De minister kan op grond van artikel 4 van deze wet goederen aanwijzen als ‘distributiegoederen’. Deze goederen mogen niet worden gekocht, verkocht of in voorraad worden gehouden. Vervolgens kan in een distributieregeling de verdeling van deze goederen worden geregeld. Op deze manier kan de overheid zowel het ‘hamsteren’ als het exporteren van goederen naar het buitenland aan banden leggen. In dit kader kan gedacht worden aan goederen als mondkapjes of desinfectiemiddelen.

Verder is het ook mogelijk om ondernemingen aan te wijzen die zich toeleggen op de productie van bepaalde distributiegoederen. De Distributiewet maakt het daarmee mogelijk dat de minister fabrieken aanwijst die beschermingsmiddelen zoals mondkapjes moeten produceren, een zogenaamde ‘prestatieplicht’ (artikel 10a Distributiewet). Veel fabrieken zullen echter (nog) niet ingericht zijn op de productie van die specifieke goederen. De fabrieken zullen dan omgebouwd moeten worden, wat tijd en geld zal kosten.

De praktijk: Kamerdebat en stand van zaken


De Tweede Kamer heeft op 18 maart 2020 gedebatteerd over de inzet van de Vorderingswet en Distributiewet. De minister van Medische Sport & Zorg heeft toen aan de Kamer gemeld dat een besluit op grond van de Vorderingswet in gang zal worden gezet ten behoeve van persoonlijke beschermingsmiddelen. Later heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport medegedeeld dat het kabinet heeft besloten een dergelijk besluit niet in voorbereiding te nemen. De minister stelt dat de aankondiging van het voorgenomen besluit een afschrikkende werking op verkopers en leveranciers heeft en wijst erop dat er nog voldoende mogelijkheden zijn om op vrijwillige basis tot afspraken te komen.

Tot slot


Heeft u vragen? Neem dan contact op met Joske Hagelaars, advocaat bij de sectie Overheid en Vastgoed, lid van het Coronateam van Dirkzwager en specialist onteigeningsrecht.