Zoeken
  1. De eigen verantwoordelijkheid van de ANIOS

De eigen verantwoordelijkheid van de ANIOS

Regelmatig speelt in tuchtzaken de vraag in hoeverre een AIOS (arts in opleiding tot specialist) of een ANIOS (arts niet in opleiding tot specialist) een verwijt van bepaalde ‘fouten’ kan worden gemaakt. Deze vraag speelt tegen de achtergrond van het feit dat een AIOS nog in opleiding is tot medisch specialist en een ANIOS nog een basisarts is die niet in opleiding is.In dit artikel bespreek ik een medische tuchtzaak waarin het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Eindhoven op 13...
Auteur artikelSteef Verheijen (uit dienst)
Gepubliceerd25 februari 2015
Laatst gewijzigd25 februari 2015
Leestijd 
Regelmatig speelt in tuchtzaken de vraag in hoeverre een AIOS (arts in opleiding tot specialist) of een ANIOS (arts niet in opleiding tot specialist) een verwijt van bepaalde ‘fouten’ kan worden gemaakt. Deze vraag speelt tegen de achtergrond van het feit dat een AIOS nog in opleiding is tot medisch specialist en een ANIOS nog een basisarts is die niet in opleiding is.

In dit artikel bespreek ik een medische tuchtzaak waarin het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Eindhoven op 13 oktober 2014 uitspraak heeft gedaan

Feiten
De moeder van klager is in het najaar van 2012 opgenomen in een verpleeghuis. Verweerder was van maart 2012 tot en met mei 2013 als anios werkzaam in dit verpleeghuis. Begin april 2013 kreeg patiënte laste van griepverschijnselen zoals koorts, diarree en overgeven. Verweerder heeft patiënte op 11 april gezien. Hij constateerde dat zij een relatief lage bloeddruk had. Op 18 april heeft verweerder patiënte opnieuw gezien. Zij dacht een herseninfarct te hebben gehad. Verweerder vond geen aanwijzingen voor neurologische afwijkingen. Op 23 april is patiënte wederom door verweerder gezien. De familie van patiënte verzocht om een bloedonderzoek. Dit onderzoek heeft op 25 april plaatsgevonden. De bloeduitslagen bleken afwijkend te zijn. Patiënte had infectieparameters en nierfunctiestoornissen. Later bleek dat er sprake was van een longontsteking en uitdroging. Patiënte is op 12 juni overleden.

Verwijt en verweer
Klager verwijt verweerder dat hij te weinig onderzoek heeft gedaan en te laat bloed heeft laten prikken. Klager en andere familieleden zouden meerdere malen hebben verzocht om bloed te laten prikken. Klager zou er naar eigen zeggen meerdere malen op hebben gewezen dat zijn moeder leek te zijn uitgedroogd. Volgens klager had patiënte kunnen herstellen als verweerder eerder de lichamelijke problemen had onderkend.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij voldoende en zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de klachten van patiënte. Pas op 26 april was er sprake van zichtbare ziekteverschijnselen (die bloedonderzoek rechtvaardigden). Verweerder heeft de klachten van klager aanvankelijk als psychisch geduid. Dit vermoeden was volgens verweerder door een psycholoog bevestigd.

De uitspraak
Het tuchtcollege stelt voorop dat er op de afdeling waar patiënte verbleek sprake was van een onvoldoende duidelijke structuur. Een systematische werkwijze ontbrak. Dit uitte zich onder meer in het volgende: (1) de bloeddruk en vochtbalans werden niet structureel bijgehouden toen patiënte ziek was; (2) het eet- en drinkpatroon van patiënte werd niet structureel bijgehouden terwijl bekend was dat zij slecht at en dronk; (3) verweerder had enkel telefonisch overleg met zijn supervisor en geen multidisciplinair overleg en (4) er bestonden geen duidelijke afspraken over de begeleiding van patiënte en de verslaglegging daarvan.

Vervolgens overweegt het tuchtcollege dat dit gebrek aan structuur niet aan verweerder kan worden toegerekend. Wél is het tuchtcollege van oordeel dat verweerder zich erg reactief heeft opgesteld. Het tuchtcollege is van oordeel dat verweerder zich te veel heeft laten leiden door de opmerkingen van derden (waarschijnlijk de psycholoog) als het gaat om het gedrag van patiënte en dat hij heeft nagelaten om zelfstandig het dossier te bestuderen en interpreteren. Verweerder had ook deugdelijk algemeen onderzoek moeten doen.

Het tuchtcollege legt verweerder een waarschuwing op. Hij voegt daaraan de opmerking toe dat “een waarschuwing een zakelijke terechtwijzing is die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken.”

Tot slot
Deze uitspraak laat opnieuw zien dat ook een basisarts die als ANIOS werkt een (behoorlijk grote) eigen verantwoordelijkheid heeft. Hij kan zich niet verschuilen achter zijn supervisor of, zoals in deze zaak, het feit dat de afdeling waar hij werkt een onvoldoende duidelijke structuur kent en constateringen van de psycholoog die in consult was geroepen. Naar mijn inschatting vond het tuchtcollege een waarschuwing weliswaar op zijn plaats, maar heeft het - in de richting van verweerder - toch ook willen benadrukken dat er geen sprake was van laakbaar handelen. Niet voor niets sluit het college de uitspraak af met een uitleg over de implicaties van de maatregel waarschuwing. Die uitleg zie je zeker niet in iedere uitspraak terug. Voor de betreffende anios is het echter een schrale troost.