De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. De Staat veroordeeld wegens het schenden van een auteursrechtlicentie

De Staat veroordeeld wegens het schenden van een auteursrechtlicentie

De Rechtbank Den Haag heeft in een uitspraak van 18 november 2020 de Staat veroordeeld tot het betalen van een boete van € 70.000 wegens het schenden van een auteursrechtlicentie op een boek over (ex)gedetineerden. Daarnaast heeft de Staat de persoonlijkheidsrechten van de auteurs zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 Auteurswet (Aw) geschonden. In dit blog bespreken wij hoe de Staat tot een schending van de licentieovereenkomst en de persoonlijkheidsrechten van de auteurs heeft kunnen komen.
Auteur artikel Marijn Groenewegen
Gepubliceerd 25 februari 2021
Laatst gewijzigd 28 februari 2021
Leestijd 

Inleiding

Deze zaak betrof een geschil tussen enerzijds de auteurs van het boek getiteld ‘Stoppen met Criminaliteit, werkboek voor (ex-)gedetineerden’ en anderzijds de Staat. De auteurs van het boek hebben een licentieovereenkomst gesloten met de Staat, meer specifiek met de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De DJI heeft het voornemen om op jaarbasis 15.000-20.000 gedetineerden gebruik te laten maken van (de voor hen relevante delen van) het boek. Naast het boek hebben de auteurs ook bijbehorend deelnemersmateriaal en een trainershandleiding ontwikkeld. De Staat heeft nagelaten om bij het uitgeven van het deelnemersmateriaal, de flyer en de trainingshandleiding, de namen van de auteurs te vermelden.

De auteurs van het boek stellen (kort gezegd) dat de Staat de licentieovereenkomst heeft geschonden, onder meer door (zeven keer) niet te voldoen aan haar verplichting tot de vermelding van de naam van de auteurs. Het niet voldoen aan haar verplichting tot naamsvermelding zou eveneens een schending van de persoonlijkheidsrechten van de auteurs opleveren, zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 sub a Aw. Door de schending van de licentieovereenkomst zou de Staat aan de auteurs een boete verschuldigd zijn van € 250.000.

Persoonlijkheidsrechten artikel 25 lid 1 Aw

De wet kent aan de maker van een werk niet alleen exploitatierechten toe waarmee hij zijn werk te gelde kan maken, maar ook persoonlijkheidsrechten. Deze persoonlijkheidsrechten (ook wel ‘morele rechten’ genoemd) zijn bedoeld om de maker van een werk, zelfs na de overdracht van zijn auteursrecht, het recht te geven op naamsvermelding en om zich te verzetten tegen wijzigingen in of aantasting van zijn werk.

De persoonlijkheidsrechten staan opgesomd in artikel 25 lid 1 Aw en luiden als volgt:

‘De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende rechten:

  1. het recht zich te verzetten tegen openbaarmaking van het werk zonder vermelding van zijn naam of andere aanduiding als maker, tenzij het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;
  2. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van het werk onder een andere naam dan de zijne, alsmede tegen het aanbrengen van enige wijziging in de benaming van het werk of in de aanduiding van de maker, voor zover deze op of in het werk voorkomen, dan wel in verband daarmede zijn openbaar gemaakt;
  3. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;
  4. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.’

De rechtbank

De rechtbank beoordeelt de zeven (beweerdelijke) overtredingen één voor één en komt tot de conclusie dat de Staat in het onderhavige geval tekort is gekomen in de nakoming van de licentieovereenkomst en haar wettelijke verplichting tot naamsvermelding. Het verweer van de Staat dat het beroep van de auteurs op naamsvermelding in strijd zou zijn met de redelijkheid, gaat niet op. In dit geval kan namelijk niet gezegd worden dat naamsvermelding ongebruikelijk of een te zware last voor de Staat zou zijn.

Boetebeding

De auteurs hebben een vordering ingesteld van € 250.000 wegens het schenden van het contractueel overeengekomen boetebeding. Hoewel het boetebeding op uitdrukkelijk verzoek van de Staat is opgenomen in de licentieovereenkomst, wordt het boetebeding in dit geschil tegen de staat ingeroepen: een mooi voorbeeld van het spreekwoordelijk gezegde ‘wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’. De rechtbank oordeelt echter dat de ernst van de onderhavige tekortkomingen niet in verhouding staat tot een boete van € 250.000 en matigt de boete dan ook tot een bedrag van € 70.000. Dit bedrag ligt in lijn met eerdere uitspraken waarin sprake was van schendingen van persoonlijkheidsrechten. In de regel worden in dat soort zaken schadevergoedingen toegekend van minder dan € 50.000.

Conclusie

Aan de auteurs van het boek komt een geslaagd beroep toe op de licentieovereenkomst en artikel 25 lid 1 sub a Aw. De gevorderde schadevergoeding wegens het overtreden van het boetebeding wordt door de rechtbank gematigd vanwege de geringe ernst van de onderhavige tekortkomingen. Daarbij kijkt de rechtbank onder meer naar de hoogte van schadevergoedingen in vergelijkbare zaken.

Deze uitspraak laat zien dat de maker van een werk zijn persoonlijkheidsrechten met een beroep op artikel 25 lid 1 sub a Aw kan inzetten om naamsvermelding af te dwingen. Dat geldt ook in het geval dat de maker zijn auteursrechten (door middel van een licentieovereenkomst) heeft overgedragen.

De uitspraak is onder het volgende ECLI nummer te raadplegen: ECLI:NL:RBDHA:2020:11950.