Zoeken
  1. De vergunning van rechtswege: einde aan de praktijk van verstopte aanvragen

De vergunning van rechtswege: einde aan de praktijk van verstopte aanvragen

In het verleden is er regelmatig geprocedeerd over de vraag of een belanghebbende een vergunning van rechtswege had verkregen, omdat het bestuursorgaan niet tijdig een beslissing had genomen op de aanvraag. Niet zelden kwam die discussie voort uit een aanvraag die verstopt was in een ander document bijvoorbeeld een bezwaarschrift gericht tegen een handhavingsbesluit.
Artikel | 24 april 2019 | Bart de Haan

Alhoewel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State al terughoudender werd met het honoreren van dit soort vergunningen van rechtswege, heeft zij in de uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:829) een nieuwe, duidelijkere koers ingezet. Die lijn is dat een aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden ingediend langs elektronische weg of met gebruikmaking van een aanvraagformulier. Als een aanvraag op een andere manier is gedaan, dan wordt die alleen als zodanig aangemerkt als het voor het bestuursorgaan meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag is gedaan. De Afdeling overwoog:

“De Afdeling zal vanaf nu oordelen dat een verzoek om omgevingsvergunning dat op andere wijze is gedaan, alleen dan een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb is, als voor het bestuursorgaan meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag is gedaan. Het dient daarbij altijd te gaan om een zelfstandig stuk. Alleen bij een dergelijke evidente aanvraag kan dus een omgevingsvergunning van rechtswege zijn gegeven.”

In een uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1227) wordt deze nieuwe lijn bevestigd.

In deze zaak ging het om een handhavingsprocedure gericht tegen het illegale gebruik van een recreatiewoning. Tegen het handhavingsbesluit had de bewoner bezwaar gemaakt en in het bezwaarschrift, gericht tegen de verlenging van de begunstigingstermijn was opgenomen:

“De wederpartij acht de verlenging van de begunstigingstermijn naar 1 september 2017 te kort en onevenredig bezwarend en dient hierbij voor de zekerheid een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor nachtverblijf en permanente bewoning van zijn woning (art. 4, lid 9 of 10 van bijlage II bij het Bor).”

Nadat de Afdeling rechtsoverweging 3.3 nogmaals de nieuwe lijn heeft toegelicht, maakt zij in rechtsoverweging 3.4 korte metten met het standpunt dat een aanvraag is gedaan en doordat daarop niet tijdig is beslist een vergunning van rechtswege is ontstaan:

“Vast staat dat wederpartij de gebruikelijke elektronische weg om een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen niet heeft genomen. Van een zelfstandig stuk waaruit meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag is gedaan is in dit geval ook geen sprake. De brief van 2 juni 2017 is een bezwaarschrift tegen het verlengen van de in de last onder dwangsom van 10 augustus 2011 opgenomen begunstigingstermijn. Er is daarom geen aanvraag gedaan. De rechtbank heeft, gelet hierop, ten onrechte geoordeeld dat het verzoek dient te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van art. 1:3, derde lid, van de Awb.”

De nieuw ingezette lijn is duidelijk. Een verzoek om een omgevingsvergunning moet worden gedaan langs elektronische weg of met gebruikmaking van een aanvraagformulier, dan wel in een zelfstandig stuk, waaruit meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag wordt gedaan. Een ‘verstopt’ verzoek, bijvoorbeeld in een bezwaarschrift gericht tegen een handhavingsbesluit, kwalificeert niet als een aanvraag in de zin van art. 1:3 lid 3 van de Awb en kan dus niet leiden tot een vergunning van rechtswege.