Zoeken
  1. De verplichte aanleg van een brug door Rijkswaterstaat ten behoeve van ontsluiting perceel; a bridge too far?

De verplichte aanleg van een brug door Rijkswaterstaat ten behoeve van ontsluiting perceel; a bridge too far?

Is Rijkswaterstaat verplicht om na onteigening een brug aan te leggen om verminderde bereikbaarheid van een perceel te compenseren? Voor deze vraag zag de rechtbank Zwolle zich op 21 februari 2018 gesteld (ECLI:NL:RBOVE:2018:737). De feiten in deze zaak liggen als volgt.
Auteur artikelRoos Molendijk (uit dienst)
Gepubliceerd20 april 2018
Laatst gewijzigd20 april 2018
Leestijd 

De feiten
Eiser is eigenaar van een woning. Deze woning is gelegen in de uiterwaarden van de rivier de IJssel. In het kader van een onteigening (die deel uitmaakt van het programma “Ruimte voor de Rivier”) is de bestaande toegangsweg tot zijn perceel komen te vervallen. De bereikbaarheid van zijn woning is daarmee verminderd. In de situatie voor de onteigening kon eiser zijn woning bereiken via een ontsluitingsweg door de uiterwaard, via welke weg de woning (circa) 362 dagen per jaar bereikbaar was. Op de dagen dat de woning door hoogwater niet bereikbaar was, gebruikte eiser een boot.


Aanvankelijk was beoogd dat de gewijzigde ontsluiting van de woning zou plaatsvinden via een overlaat. Vanwege de beperking in bereikbaarheid van de woning van eiser werd de mogelijkheid onderzocht van een brug naast de beoogde overlaat. Op enig moment heeft de Staat echter besloten om aan het Waterschap geen geld ter beschikking te stellen voor het realiseren van een aparte brug voor het ontsluiten van het perceel van eiser. De reden daarvoor is het voortschrijdend inzicht ten aanzien van de kosten van het realiseren van een dergelijke voorziening (circa 2,5 miljoen euro) en de beoordeling van de bereikbaarheid van het perceel via de overlaat en via een bootvoorziening. Na onteigening resteert voor eiser dus “slechts” een toegangsweg over een overloop, die niet het hele jaar begaanbaar is.


Vordering eiser
Eiser vordert in deze procedure dat de Staat (Rijkswaterstaat) een brug aanlegt om zijn perceel te kunnen bereiken, zoals eerder is toegezegd. Daartoe dient de Staat het Waterschap opdracht te geven een nieuwe aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning voor de aan te leggen brug ter ontsluiting van de woning van eiser. Ter onderbouwing van zijn vordering wijst eiser op de verminderde bereikbaarheid van zijn woning als gevolg van de onteigening en de door de Staat , in de onteigeningsprocedure gedane toezegging om een brug te realiseren. Die toezegging is volgens eiser als een gegeven beschouwd bij het vaststellen van de onteigeningsschadeloosstelling, terwijl er daardoor geen beschouwing heeft plaatsgevonden over een vermindering van de waarde van het overblijvende (ofwel de niet onteigende woning) en/of over de ten gevolge van de onteigening gerechtvaardigde overige voorzieningen of vergoedingen. Eiser stelt met een beroep op het vertrouwensbeginsel dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de brug zou worden aangelegd. Verder stelt eiser dat de hogere kosten van de brug geen valide reden vormen om van de aanleg daarvan af te zien. Temeer omdat er ten tijde van de toezegging niet over de kosten van de weg is gesproken.


Verweer Staat
Het verweer van de Staat komt er in de kern op neer dat de aanleg van een brug niet van hem gevergd kan worden vanwege gewijzigde omstandigheden (met name: de kosten voor de aanleg en de reeds verbeterde bereikbaarheid tot gemiddeld 356 dagen per jaar). De woning is nu circa 356 dagen per jaar bereikbaar via de weg op de overlaat. Op dagen dat de woning niet bereikbaar is via de weg, is deze bereikbaar via het water. Dat was voor aanvang van het werk ook al zo. Daartoe beschikt eiser over een boot. Eiser heeft daarnaast geld ontvangen voor de aanschaf van een gemotoriseerde boot. De Staat heeft verder aangeboden om omrijschade te vergoeden en tot slot het aanbod gedaan om de woning van eiser in der minne te kopen. Van enige toezegging van Rijkswaterstaat waarop eiser mocht vertrouwen, is volgens de Staat geen sprake. Dat het Waterschap heeft besloten om een alternatieve ontsluiting te realiseren, behelsde “slechts” een besluit en geen toezegging jegens eiser. Op een besluit kan wegens gewijzigde omstandigheden en financiële inzichten worden teruggekomen. Daar is in dit geval naar het oordeel van de Staat sprake van vanwege én de fors hoger uitgevallen kosten én de verminderde noodzaak tot het aanleggen van een brug door verhoging van de overlaat.


Oordeel rechtbank
Toezegging
De rechtbank stelt vast dat tijdens de descente door beide partijen een “nota voor de deskundigen” is overgelegd. In de nota voor de deskundigen van de Staat is opgenomen dat recentelijk is besloten een alternatieve ontsluiting via een brug te realiseren, mits hiervoor een (project)omgevingsvergunning wordt verleend. Tijdens de descente heeft de advocaat van de Staat bovendien medegedeeld dat recent het besluit is genomen een alternatieve ontsluiting via een brug te realiseren.


De rechtbank kwalificeert de opmerking van de Staat dat eiser een brug zou krijgen – met verwijzing naar de in de jurisprudentie ontwikkelde voorwaarden – als een toezegging. Er is sprake van een concrete en individuele mededeling aan eiser (het besluit om een brug aan te leggen, is gericht aan eiser), en de beslissing om een brug aan te leggen is genomen door de daartoe bevoegde Programmadirectie Ruimte voor de Rivier (die valt onder Rijkswaterstaat (en daarmee onder de Staat)). Eiser mocht er naar het oordeel van de rechtbank op vertrouwen dat de mededeling dat er een brug zou worden gebouwd, zou worden nagekomen. Dat geldt temeer nu er uitdrukkelijk en langdurig en in meerdere varianten tussen partijen is gesproken over een brug. Ten slotte is volgens de rechtbank duidelijk dat eiser zijn gedrag heeft laten leiden door de toezegging; aannemelijk is dat een en ander van invloed is geweest op de omvang van de schadeloosstelling.


Terugkomen op een toezegging?
De Staat heeft aangevoerd dat zij kan terugkomen op een besluit, volgens de Staat is daar in dit geval reden toe. De brug valt fors duurder uit dan was begroot en bovendien is de overlaat opgehoogd, waardoor de noodzaak voor een brug is afgenomen. Daarentegen stelt eiser dat het onrechtmatig is om een toezegging eenzijdig in te trekken.

De rechtbank is van oordeel dat de door de Staat aangevoerde gewijzigde omstandigheden in dit geval niet rechtvaardigen dat wordt teruggekomen op de toezegging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het feit dat de brug wellicht duurder uitvalt in de risicosfeer van de Staat ligt. De Staat had bij de toezegging dat er een brug zou worden aangelegd een voorbehoud voor de kosten kunnen maken of daaraan voorafgaand een diepgravender onderzoek naar de kosten kunnen doen. Dit is echter niet gebeurd.


Ten aanzien van de kosten geldt bovendien dat eiser volgens de rechtbank gemotiveerd heeft betwist dat de brug de door de Staat beweerde 2,5 miljoen euro zou moeten kosten. Hoewel de Staat voorheen wel aanzienlijk in de buidel wilde tasten voor een (geringe) verbetering van de bereikbaarheid, vond de Staat vervolgens ook een bedrag van 1 miljoen euro disproportioneel voor de kleine verbetering in bereikbaarheid van 356 dagen naar 361 dagen per jaar via de aanleg van een brug. Kennelijk, zo overweegt de rechtbank, is de verbeterde bereikbaarheid dan de voornaamste grond om de brug niet meer aan te willen leggen. De rechtbank merkt hierover allereerst op dat de verhoging van de overlaat pas in 2016 heeft plaatsgevonden, terwijl de beslissing om de brug niet aan te leggen al in oktober 2015 is aangekondigd. Bovendien heeft eiser niet gevraagd om een verhoogde overlaat. De Staat heeft dat op eigen initiatief gedaan. Daar hoeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet de gevolgen van te dragen.

De stelling van de Staat dat eiser met de verhoogde overlaat net zo goed bereikbaar is als met een brug, is ook volgens de eigen stukken en stellingen van de Staat onjuist. De rechtbank vindt het in dezen niet van belang dat de woning van eiser met een boot 365 dagen per jaar bereikbaar is: dat was voor de onteigening ook het geval. Het gaat om de bereikbaarheid over land (brug), niet over water.

Bij dit alles weegt de rechtbank ten slotte nog mee dat de bereikbaarheid voor eiser vóór de onteigening 362 dagen per jaar was, met daarbij nog de mogelijkheid van de loopbrug. De toezegging is derhalve niet voor niets gedaan en uitgangspunt is dat de Staat zich daar aan moet houden.


Toezegging dient te worden nagekomen
Concluderend wijst de rechtbank de vordering van eiser toe, de door de Staat gedane toezegging moet worden nagekomen. Dit betekent dat de handen uit de mouwen worden gestoken; naar de woning van eiser zal een brug moeten worden aangelegd.


Heeft u vragen over onteigening? Neem dan gerust contact op met Hanna Zeilmaker, Joske Hagelaars of Roos Molendijk