Zoeken
  1. Drie belangrijke uitspraken van het Bundesgerichtshof met betrekking tot koop- en aannemingsovereenkomsten uit 2018

Drie belangrijke uitspraken van het Bundesgerichtshof met betrekking tot koop- en aannemingsovereenkomsten uit 2018

Natuurlijk zijn er veel belangrijke uitspraken van het Duitse Bundesgerichtshof (BGH; vgl. Hoge Raad) uit 2018. In onderstaande samenvatting worden drie belangrijke uitspraken behandeld met betrekking tot koop- en aannemingsovereenkomsten.
Artikel | 08 januari 2019 | Susanne Hermsen-Pfeiffer

Aannemingsovereenkomsten: geen fictieve schadekosten meer

We beginnen in februari 2018. Toen heeft het BGH een baanbrekende uitspraak gedaan met betrekking tot het bouwrecht. Tot dat moment was het in het bouwrecht gebruikelijk om een fictieve berekening van kosten te eisen die ontstaan in verband met het verhelpen van gebreken. Een opdrachtgever bij wiens bouwwerk sprake was van een gebrek, kon de kosten voor het verhelpen van dit gebrek fictief berekenen, waarna deze kosten door de aannemer werden vergoed. Vervolgens kon de opdrachtgever vrij besluiten of hij het gebrek met dit geldbedrag al dan niet liet verhelpen. In februari 2018 heeft het BGH deze rechtspraak echter opgegeven. Voortaan kan een opdrachtgever geen fictieve berekening van de kosten meer eisen die ontstaan in verband met het verhelpen van gebreken. Het BGH motiveert deze uitspraak door te stellen dat een opdrachtgever die geen kosten maakt in verband met het verhelpen van een gebrek, maar die deze kosten alleen fictief vaststelt, geen vermogensschade lijdt in de vorm en ter hoogte van deze fictieve kosten. Pas als de opdrachtgever het gebrek daadwerkelijk laat verhelpen en de kosten daarvan betaalt, ontstaat voor hem vermogensschade. Om deze reden kan de opdrachtgever ook pas op dat moment aanspraak maken op vergoeding van de kosten. Het arrest van het BGH geldt voor alle bouwcontracten en alle overeenkomsten en contracten met architecten, ingenieurs en opdrachtgevers, voor zover zij kunnen worden geclassificeerd als aannemingsovereenkomst.

(BGH, arrest van 22-02-2018, dossiernr. VII ZR 46/17).


Koopovereenkomsten: na verlaging van de koopsom geen schadevergoeding meer in plaats van uitvoering

De koper van een auto heeft tegen de verkoper een eis tot schadevergoeding ingesteld. De reden hiervoor was dat de auto gedurende een periode van vijf maanden diverse gebreken vertoonde. De koper had deze gebreken gemeld, waarop deze door de verkoper waren verholpen. De koper eiste daarop onder verwijzing naar de kennelijke vatbaarheid van de auto voor gebreken een verlaging van de koopsom met 20 procent. Deze verlaging heeft de koper ook ontvangen. De auto vertoonde echter steeds weer nieuwe gebreken. Ook deze nieuwe gebreken zijn door de verkoper verholpen. Op een bepaald moment had de koper er echter genoeg van. Tot dat moment had de koper alleen verlaging van de koopsom met 20% geëist, maar nu eiste de koper naast terugbetaling van de koopsom tevens vergoeding van de schade die was ontstaan door de tekortkomingen. In eerste en tweede aanleg kreeg de koper gelijk, maar in de cassatieprocedure bij het BGH werd de eis van de koper afgewezen. Het BGH oordeelde dat een koper, indien deze jegens de verkoper reeds verlaging van de koopsom heeft geëist en gekregen, niet met beroep op hetzelfde gebrek in plaats van of naast deze verlaging een zogenoemde grote schadevergoeding en daarmee annulering van de koopovereenkomst kan eisen. Als dat de koper zou worden toegestaan, zou dit in economisch opzicht hetzelfde effect hebben als de combinatie van prijsverlaging en annulering, en dat is volgens de wet niet mogelijk: nadat de koper akkoord is gegaan met een prijsverlaging, kan de overeenkomst niet meer worden geannuleerd. Wie akkoord gaat met een prijsverlaging, verklaart bindend dat hij/zij de wil heeft de overeenkomst voort te zetten. Daarmee kan de koper - in verband met hetzelfde gebrek - de overeenkomst niet meer annuleren of schadevergoeding eisen in plaats van uitvoering. Een schadevergoeding wegens andere schade die het gevolg is van het desbetreffende gebrek (of andere gebreken), blijft echter wel mogelijk.

(BGH, arrest van 09-05-2018, dossiernr. VIII ZR 26/17)


Koopovereenkomsten: na verhelpen van gebreken vervangende levering van een nieuw product nog mogelijk

In oktober heeft het BGH een uitspraak gedaan die positiever uitpakt voor kopers. Ook in deze zaak ging het om een auto. Het betrof de vraag of een koper nog een nieuwe auto kan eisen als de koper eerst heeft geëist een gebrek te laten verhelpen. Aan deze procedure lag het feit ten grondslag dat de koper van een nieuwe BMW in het display een waarschuwing had gekregen dat de koppeling oververhit was en dat gedurende minimaal 45 minuten niet met de auto mocht worden gereden. Deze waarschuwing bleek echter vals te zijn, en de koppeling was helemaal niet oververhit. De bestuurder had zijn reis dus gewoon kunnen vervolgen. Het BGH oordeelde echter dat desondanks sprake was van een gebrek aan de auto, omdat de auto vanwege de waarschuwing niet meer geschikt was voor gewoon gebruik, noch een gesteldheid had die bij dit soort producten gebruikelijk is en die een koper op basis van de aard van het product kan verwachten. Bij auto's zonder gebreken verschijnt immers geen valse waarschuwing. Het BGH heeft de eis van de eigenaar van de BMW tot vervangende levering van een product zonder gebreken toegewezen. Het feit dat de koper het gebrek eerst wilde laten verhelpen en pas daarna vervangende levering had geëist, was niet van belang. 

(BGH, arrest van 24-10-2018, dossiernr. VIII ZR 66/17)


Susanne Hermsen-Pfeiffer