Wat betekent het arrest voor directe lijnen in Nederland? In dit artikel leggen wij de uitleg van het Hof naast de huidige definitie van de directe lijn in de Energiewet en staan wij stil bij de juridische en praktische vragen die het arrest nog onbeantwoord laat. Daarna bespreken wij de relevantie van het arrest voor de Nederlandse praktijk en welke kansen het biedt voor Nederlandse energie- en industrieprojecten.
De directe lijn onder de Energiewet
Via een directe lijn kunnen partijen elektriciteit (en gas) rechtstreeks leveren en afnemen zonder dat het transport tussen hen via het openbare transmissie- of distributiesysteem verloopt. Een directe lijn maakt geen deel uit van een systeem (net) en is om die reden niet onderworpen aan het uitgebreide regulatoire kader dat geldt voor (het beheer van) transmissie- en distributiesystemen. Afgezien van de verplichting om de directe lijn ter registratie bij de ACM te melden, gelden voor een directe lijn geen verdere voorschriften.
Een elektriciteitsverbinding kwalificeert als directe lijn indien aan de voorwaarden van artikel 3.9, eerste lid, van de Energiewet wordt voldaan. Die bepaling onderscheidt twee varianten van een directe lijn. De eerste variant betreft een rechtstreekse verbinding (bestaande uit één of meer leidingen) tussen een geïsoleerde productie-installatie van een producent en een geïsoleerde eindafnemer, die niet met een systeem of een andere leiding voor transport (een net) is verbonden. In de tweede variant gaat het om een rechtstreekse verbinding tussen een productie-installatie, met tussenkomst van een leverancier, en één of meer eindafnemers, die ten hoogste via de installatie van één aangeslotene met een systeem (of met een andere leiding) is verbonden. Die beperking tot ten hoogste één aangeslotene is een bewuste keuze van de Nederlandse wetgever: deze wilde voorkomen dat delen van een transmissie- of distributiesysteem aan regulering zouden worden onttrokken en dat parallelstromen zouden ontstaan waarover de systeembeheerder geen controle heeft. De memorie van toelichting bij de Energiewet noemt de beperking nog steeds cruciaal: bij verbindingen met het systeem via de installaties van twee aangeslotenen zou feitelijk sprake zijn van een systeem. De zorg over ongecontroleerde elektriciteitsstromen is begrijpelijk, maar de daaraan verbonden kwalificatie als systeem – hoewel niet onjuist – roept, zoals hierna zal blijken, na het arrest vragen op. Het Hof aanvaardt namelijk dat het behoud van aansluitingen aan beide zijden van de lijn op zichzelf niet aan de kwalificatie als directe lijn in de weg staat.
De Letse zaken
In het arrest beantwoordt het Hof prejudiciële vragen die de hoogste Letse rechter heeft gesteld in twee procedures over de uitleg van het begrip ‘directe lijn’. In beide zaken ging het om geplande elektriciteitsverbindingen tussen een (niet-geïsoleerde) elektriciteitscentrale en een (niet-geïsoleerde) afnemer. Het Hof beoordeelt de voorgenomen aansluitconfiguraties in beide zaken dan ook aan de hand van de tweede definitie in artikel 2, punt 41, van Richtlijn (EU) 2019/944 (de “Richtlijn”): “een elektriciteitslijn die een elektriciteitsproducent en een elektriciteitsleverancier met elkaar verbindt om hun eigen vestigingen, dochterondernemingen en afnemers direct te bevoorraden”.
In de eerste zaak (C-722/24) beoogde een producent (Elektro bizness) die niet alleen elektriciteit produceerde en leverde aan het openbare distributiesysteem, maar ook via een eigen elektriciteitslijn zes industriële afnemers rechtstreeks bevoorraadde, een nieuwe afnemer via een aftakking met die bestaande elektriciteitslijn te verbinden. Volgens de Letse toezichthouder kon deze aftakking geen directe lijn zijn, omdat zij niet rechtstreeks vanaf de productielocatie liep. In de tweede zaak (C-756/24) wilde een vervoersbedrijf (Jelgavas autobusu parks) een waterstofinstallatie met een biomassacentrale verbinden. Het bedrijf wilde elektriciteit rechtstreeks van de producent afnemen en zijn bestaande aansluiting op het distributiesysteem als reserve behouden. De toezichthouder wees dit af, omdat de afnemer niet geïsoleerd was en het distributiesysteem in zijn elektriciteitsbehoefte kon voorzien. Anders dan de Letse toezichthouder oordeelt het Hof dat in beide gevallen sprake kan zijn van een directe lijn.
De uitleg van het Hof in de Nederlandse context
Zonder tussenkomst van het distributiesysteem
Het Hof onderscheidt in artikel 2, punt 41, van de Richtlijn twee definities van een directe lijn. De eerste definitie ziet op een lijn tussen een geïsoleerde productielocatie en een geïsoleerde afnemer. Op basis van een vergelijking van de taalversies legt het Hof ‘geïsoleerd’ uit als losgekoppeld van het distributiesysteem van de beheerder. De tweede definitie kent dat kenmerk juist niet: beslissend is of de afnemer door de producent of leverancier wordt bevoorraad “zonder tussenkomst van het distributiesysteem”. Of de betrokken partijen al op dat systeem zijn aangesloten, is volgens het Hof niet van belang:
“Uit het voorgaande volgt dat wanneer een afnemer zich van elektriciteit voorziet via een lijn die hem rechtstreeks verbindt met de producent of de elektriciteitsleverancier, zonder daartoe het distributiesysteem van de beheerder te gebruiken, deze lijn moet worden aangemerkt als „direct” in de zin van de tweede definitie in artikel 2, punt 41, ook al is die afnemer, producent of leverancier niet „geïsoleerd”, dat wil zeggen niet van dat systeem losgekoppeld.
[…] Zoals blijkt uit punt 45 van het onderhavige arrest, is het beslissende criterium voor de aanmerking als „directe lijn” in de zin van de tweede definitie in die bepaling immers dat de elektriciteitsproducent of het elektriciteitsbedrijf de afnemer bevoorraadt zonder tussenkomst van het distributiesysteem van de beheerder, in de zin van artikel 2, punt 29, van deze richtlijn, ongeacht of die marktdeelnemers reeds op dat systeem zijn aangesloten.” (rechtsoverwegingen 45 en 49)
Het criterium ‘zonder tussenkomst van het distributiesysteem’ stelt in ieder geval een eis aan de feitelijke verbinding; een overeenkomst voor rechtstreekse inkoop van elektriciteit bij de producent of leverancier is niet voldoende als het daadwerkelijke transport naar de afnemer(s) alsnog via het distributiesysteem loopt. Ingewikkelder wordt het wanneer de producent of leverancier via zijn eigen aansluiting op het distributiesysteem elektriciteit afneemt en die vervolgens via private verbindingen aan achterliggende afnemers ‘doorlevert’. Over die verbindingen wordt dan (mede) elektriciteit getransporteerd en gebruikt die niet afkomstig is uit lokale productie, maar uit het distributiesysteem. De vraag die het arrest niet beantwoordt, is of het criterium ‘zonder tussenkomst van het distributiesysteem’ ziet op de gehele transportketen – dus óók op het transport van elektriciteit op de aansluiting van de producent of leverancier – of alleen op de verbinding(en) tussen de leverende partij en haar afnemer(s). In onze optiek zijn twee lezingen verdedigbaar.
Bij een strikte lezing is élke vorm van transport via het distributiesysteem, ook eerder in de keten, onverenigbaar met de kwalificatie als directe lijn. Voor die bevoorrading is het distributiesysteem immers gebruikt. Bij een ruimere lezing ziet het criterium alleen op het laatste deel van het traject, dat van de producent of leverancier naar de afnemer. Dat de producent of leverancier de elektriciteit uit het distributiesysteem heeft betrokken, maakt niet dat het daaropvolgende transport van die elektriciteit over de rechtstreekse verbinding naar de afnemer ‘met tussenkomst van het distributiesysteem’ plaatsvindt. De ruimere lezing lijkt de enige uitleg te zijn die recht doet aan de door het Hof erkende mogelijkheid dat ook tussen een leverancier en een afnemer een directe lijn kan bestaan: een leverancier die niet zélf elektriciteit opwekt, is voor de bevoorrading van elektriciteit aan een afnemer noodzakelijkerwijs afhankelijk van afname via zijn aansluiting op het systeem. De advocaat-generaal (de “AG”) merkt in punt 84 van haar conclusie op dat het volstaat dat de producent (ook) rechtstreeks aan de afnemer levert, dus zonder gebruik te maken van het distributiesysteem, en dat technische voorzieningen een ongecontroleerde afname uit het distributiesysteem naar die afnemer voorkomen. Die voorwaarde van de AG onderschrijft de ruimere lezing, maar wordt door het Hof niet uitdrukkelijk overgenomen.
Deze interpretatievraag heeft praktische betekenis voor bestaande en toekomstige directe lijnen in Nederland. Vooralsnog wordt in de praktijk namelijk aangenomen dat bij een directe lijn tussen een productie-installatie en één of meerdere eindafnemers niet vereist is dat de door de productie-installatie opgewekte elektriciteit 100% van de elektriciteitsbehoefte van de eindafnemer(s) dekt. Daarvoor wordt doorgaans verwezen naar een handhavingsbesluit van de ACM van 27 februari 2014 (ACM/DE/2014/201019), waarin de ACM oordeelde dat sprake was van een directe lijn in een situatie waarin met de door de productie-installatie opgewekte elektriciteit voor 90% in de elektriciteitsbehoefte van de afnemers werd voorzien. Het gegeven dat de opgewekte elektriciteit niet rechtstreeks aan de verbruikers werd geleverd, maar werd verkocht aan Vattenfall en vervolgens weer werd ingekocht bij Vattenfall en via het stelsel van verbindingen werd doorgeleverd aan de verbruikers, kon volgens de ACM niet tot een ander oordeel leiden. De ACM overwoog daarbij het volgende:
“De wet schrijft […] niet voor dat de aan de verbruikers te leveren energie – rechtstreeks – afkomstig moet zijn van de producent die op dezelfde elektriciteitslijn is aangesloten. Evenmin blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de producent – rechtstreeks – in de elektriciteitsbehoefte van de verbruikers moet voorzien. Dit blijkt ook niet uit de richtlijnen 2003/54/EG en 2009/72/EG en de hierop betrekking hebbende interpretative note van de Europese Commissie.
[…] Wel dient volgens ACM de hoeveelheid opgewekte elektriciteit volledig of vrijwel geheel overeen te komen met de elektriciteitsbehoefte van de verbruikers op de directe lijn.” (randnummers 24 en 25)
Bij de strikte lezing van het arrest zou de bovenstaande benadering van de ACM moeilijk houdbaar zijn: ook de resterende 10% is immers via het distributiesysteem bij de aangesloten verbruikers terechtgekomen. Bij de ruimere lezing zou deze benadering juist te verdedigen zijn zolang de verbinding tussen producent of leverancier en afnemer zelf buiten het distributiesysteem om loopt. Het arrest geeft hierover geen uitsluitsel.
Behoud van eigen aansluiting op het distributiesysteem
In de zaak Jelgavas autobusu parks stond centraal of een afnemer naast een directe lijn zijn bestaande aansluiting op het distributiesysteem als reserveaansluiting mag aanhouden. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend:
“[…] het beslissende criterium voor de aanmerking als „directe lijn” in de zin van de tweede definitie in die bepaling [is] immers dat de elektriciteitsproducent of het elektriciteitsbedrijf de afnemer bevoorraadt zonder tussenkomst van het distributiesysteem van de beheerder, in de zin van artikel 2, punt 29, van deze richtlijn, ongeacht of die marktdeelnemers reeds op dat systeem zijn aangesloten.
[…] Een vereiste van volledige ontkoppeling van het distributiesysteem van de beheerder na de aansluiting op een directe lijn, dat noch uit de bewoordingen noch uit de context van artikel 2, punt 41, van richtlijn 2019/944 voortvloeit, zou immers in strijd kunnen zijn met het in artikel 4 van deze richtlijn neergelegde recht van de afnemer om vrijelijk zijn elektriciteitsleverancier te kiezen, alsook met het uit artikel 6, lid 1, van die richtlijn voortvloeiende beginsel van vrije toegang tot het systeem.
[…] Uit deze overwegingen volgt dat de afnemer, indien hij dat wenst, na de aanleg van een directe lijn een reserveaansluiting op het openbare distributiesysteem moet kunnen behouden.” (rechtsoverwegingen 49, 51 en 52)
Uit deze overwegingen volgt niet alleen een bevestiging van het Hof dat een afnemer, indien hij dat wenst, na de aanleg van een directe lijn een reserveaansluiting op het openbare distributiesysteem moet kunnen behouden, maar óók dat dit geldt indien de partij die de afnemer bevoorraadt eveneens op dat systeem is aangesloten. Die eerste mogelijkheid is in de Nederlandse context niet nieuw en volgt in feite rechtstreeks uit de definitie van een directe lijn in de Energiewet. Die tweede situatie is echter wél nieuw. Artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van de Energiewet bevat immers de beperking dat een directe lijn ten hoogste via de installatie van één aangeslotene met een systeem verbonden mag zijn. Behouden zowel de producent als de afnemer hun eigen aansluiting, dan kan de verbinding tussen hen volgens de huidige wettekst niet kwalificeren als een directe lijn.
Hoewel duidelijk is dat de afnemer en – zij het impliciet – de producent dan wel leverancier een reserveaansluiting mogen behouden, zegt het Hof niet uitdrukkelijk onder welke omstandigheden en in welke mate van die aansluiting gebruik mag worden gemaakt.
De reserveaansluiting moet in onze optiek in ieder geval daadwerkelijk kunnen worden gebruikt wanneer de directe levering uitvalt. Anders zou de door het Hof erkende reservefunctie weinig betekenis hebben.
Een stap verder gaat ‘reguliere’ aanvullende afname via de eigen aansluiting op het distributiesysteem, gelijktijdig met de levering via de directe lijn. Het arrest gaat hier niet uitdrukkelijk op in, maar de overwegingen van het Hof bieden wel aanknopingspunten voor de opvatting dat ook een dergelijk gebruik van de reserveaansluiting mogelijk zou moeten zijn. Zo brengt het Hof het behoud van de reserveaansluiting in verband met het in artikel 4 van de Richtlijn neergelegde recht op vrije leverancierskeuze en met het uit artikel 6, eerste lid, voortvloeiende beginsel van vrije toegang tot het systeem. Volgens artikel 4 van de Richtlijn moeten de lidstaten erop toezien dat alle afnemers vrij zijn om op hetzelfde moment over meer dan één elektriciteitsleveringscontract te beschikken. Artikel 7, derde lid, van de Richtlijn bepaalt verder dat de mogelijkheid van levering via een directe lijn de mogelijkheid tot het sluiten van een leveringscontract overeenkomstig artikel 6 onverlet laat.
Ook de conclusie van de AG wijst in die richting. De AG gaat verder dan het Hof door uitdrukkelijk te overwegen dat voor de kwalificatie als directe lijn niet beslissend kan zijn of de reserveaansluiting “eventueel naast de directe lijn wordt gebruikt”, en erop te wijzen dat “de (gecontroleerde) mogelijkheid van een elektriciteitsuitwisseling tussen een directe lijn en het net juist heel belangrijk [is] met het oog op de thans voorziene actieve rol van afnemers als decentrale actoren in het kader van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, wat vaak complementair is aan de netvoeding.”
Het Hof beantwoordt deze vraag echter niet. De aan het Hof voorgelegde situatie betrof bovendien een afnemer die tijdens de directe levering geen elektriciteit uit het distributiesysteem zou afnemen. Dat verschil is van praktisch belang, omdat bij veel on-site PPA’s en op veel industrieterreinen de lokale productie-installatie slechts een deel van de elektriciteitsbehoefte dekt; de rest wordt uit het distributiesysteem betrokken.
Aan het behoud van de reserveaansluiting verbindt het Hof wel een grens: dit behoud mag er niet voor zorgen dat de distributiesysteembeheerder zijn taken niet meer kan uitvoeren. Het Hof verwijst daarbij specifiek naar artikel 31, eerste lid, van de Richtlijn, op grond waarvan de distributiesysteembeheerder verantwoordelijk is voor het waarborgen van het vermogen van het systeem op lange termijn om te voldoen aan een redelijke vraag naar de distributie van elektriciteit, en voor het beheren, onderhouden en ontwikkelen onder economische voorwaarden van een zeker, betrouwbaar en efficiënt elektriciteitsdistributiesysteem in zijn gebied, met inachtneming van het milieu en energie-efficiëntie. Wanneer de uitvoering van die taken door het behoud van een reserveaansluiting in het geding zou kunnen komen, werkt het Hof niet uit.
Wat het Hof wél bepaalt, is dat de afnemer die een reserveaansluiting wenst te behouden, kan worden onderworpen aan bepaalde verplichtingen, waaronder met name de betaling van een passende financiële bijdrage, vastgesteld in overeenstemming met de Richtlijn en in het bijzonder met de procedure van artikel 59, zevende lid, van de Richtlijn, dat de nationale regulerende instanties (in Nederland: de ACM) de bevoegdheid toekent methoden vast te stellen voor onder meer het berekenen van aansluittarieven. De vraag is hoe de ACM in haar toekomstige besluitvorming invulling zal geven aan die ‘passende bijdrage’ en of in dat kader een specifiek ‘reservetarief’ nodig wordt geacht.
De vraag of en, zo ja, op welke wijze de reserveaansluiting – van de producent, leverancier dan wel afnemer – daadwerkelijk mag worden gebruikt, wordt door het Hof niet beantwoord. Voor projecten met aansluitingen op het distributiesysteem aan beide zijden blijft bovendien onduidelijk welke technische voorzieningen nodig zijn om de rechtstreekse bevoorrading te onderscheiden van transport via het distributiesysteem en ongecontroleerde elektriciteitsstromen tussen de aansluitingen te voorkomen. Het Hof formuleert daarvoor geen algemene technische maatstaf; de AG noemt het voorkomen van ongecontroleerde afname uit het distributiesysteem naar de afnemer wel expliciet.
Aftakking op een bestaande elektriciteitslijn en meerdere afnemers
Minstens zo interessant is wat het Hof overweegt over het voornemen van Elektro bizness om een nieuwe afnemer via een aftakking op haar bestaande elektriciteitslijn te verbinden:
“Indien Elektro bizness, een elektriciteitsbedrijf in de zin van artikel 2, punt 57, van richtlijn 2019/944, na de aanleg van de nieuwe lijn waarvoor zij een vergunning heeft aangevraagd, via deze lijn en zonder tussenkomst van het distributiesysteem van de beheerder een nieuwe afnemer bevoorraadt, kan deze lijn worden aangemerkt als een „directe lijn” in de zin van de tweede definitie van artikel 2, punt 41, richtlijn 2019/944, zonder dat het in dit verband van belang is dat deze lijn, waarvan Elektro bizness eigenaar is, de afnemer verbindt met de bestaande lijn die de elektriciteit levert en niet rechtstreeks met de productielocatie, in casu de warmtekrachtkoppelingscentrale waarvan Elektro bizness eveneens eigenaar is.” (rechtsoverweging 48)
Ook een nieuwe aftakking op een reeds bestaande elektriciteitsverbinding kan dus als directe lijn kwalificeren; een afzonderlijke lijn vanaf de productie-installatie is niet vereist. Evenmin hoeft de lijn slechts één afnemer te bedienen. Dat laatste is in de Nederlandse context overigens niet nieuw: artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van de Energiewet voorziet daar al expliciet in.
Producent óf leverancier
Zowel producenten als leveranciers moeten hun eigen vestigingen, dochterondernemingen en afnemers via een directe lijn kunnen bevoorraden. Volgens het Hof moet ‘en’ in de uitdrukking ‘een elektriciteitsproducent en een elektriciteitsleverancier’ in artikel 2, punt 41, van de Richtlijn als ‘of’ worden gelezen:
“Met betrekking tot de tweede definitie van het begrip „directe lijn” van artikel 2, punt 41, van richtlijn 2019/944 […] moet […] worden opgemerkt dat de term „en” in de uitdrukking „die een producent verbindt met een elektriciteitsleverancier” als „of” moet worden opgevat. Deze uitlegging maakt het mogelijk om alle gevallen te omvatten waarin een „producent” of een „elektriciteitsleverancier” via een elektriciteitslijn zijn verbonden met hun vestigingen, dochterondernemingen en afnemers die zij bevoorraden.” (rechtsoverweging 39)
Van belang is dat volgens het Hof óók een elektriciteitsverbinding tussen een elektriciteitsleverancier en een afnemer als een directe lijn kan kwalificeren. De Nederlandse eis van de aanwezigheid van een productie-installatie op de directe lijn blijkt daarmee een onjuiste beperking: de definitie in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van de Energiewet gaat immers uit van een rechtstreekse bevoorrading door een productie-installatie, waarbij de leverancier in feite uitsluitend de administratieve afhandeling van die bevoorrading verzorgt.
Eveneens van belang is dat een leverancier de door hem via de directe lijn geleverde elektriciteit dus niet zelf hoeft op te wekken. Het Hof merkt in dit verband op dat de termen ‘producent’ en ‘elektriciteitsleverancier’ in de zin van de tweede definitie van het begrip ‘directe lijn’ onder het breed gedefinieerde begrip ‘elektriciteitsbedrijf’ in de zin van artikel 2, punt 57, van de Richtlijn vallen. Dat begrip omvat onder meer ondernemingen, niet zijnde eindafnemers, die elektriciteit produceren, opslaan of leveren en die verantwoordelijk zijn voor de daarmee verband houdende commerciële, technische of onderhoudswerkzaamheden.
Het bovengenoemde begrip ‘elektriciteitsbedrijf’ omvat ook exploitanten van een batterijopslagsysteem (“BESS”), onder de Energiewet een ‘elektriciteitsopslagsysteem’. Nu het Hof in rechtsoverweging 49 van het arrest opmerkt dat het beslissende criterium voor de aanmerking als directe lijn in de zin van de tweede definitie van artikel 2, punt 41, van de Richtlijn is dat “de elektriciteitsproducent of het elektriciteitsbedrijf de afnemer bevoorraadt zonder tussenkomst van het distributiesysteem van de beheerder”, is niet uitgesloten dat óók tussen een BESS en één of meerdere afnemers sprake kan zijn van een directe lijn.
Tegen het bovenstaande argument zou kunnen worden ingebracht dat het Hof in het arrest vooral verwijst naar een ‘producent of een elektriciteitsleverancier’ en dat de hoedanigheid als ‘elektriciteitsbedrijf’ een onderneming op zichzelf nog niet tot leverancier maakt.
Een exploitant van een BESS zou in onze optiek echter ook als leverancier kunnen worden aangemerkt. Hierbij is het van belang op te merken dat de Richtlijn geen definitie van het begrip ‘elektriciteitsleverancier’ kent. Gelet op de definitie van een ‘elektriciteitsbedrijf’ moet een elektriciteitsleverancier waarschijnlijk worden begrepen als een onderneming die elektriciteit levert, maar zelf geen eindafnemer is. Wat vervolgens onder ‘levering’ moet worden verstaan, volgt wél uit de Richtlijn, namelijk: “verkoop, wederverkoop daaronder begrepen, van elektriciteit aan afnemers”. Dit komt in vergaande mate overeen met de definitie van een ‘leverancier’ onder de Energiewet, zijnde: een “natuurlijk persoon of rechtspersoon die elektriciteit of gas levert aan een eindafnemer […]”. Indien een exploitant van een BESS via een rechtstreekse verbinding zelf elektriciteit levert aan één of meerdere afnemers, dan bestaan er naar onze mening goede argumenten om die exploitant als leverancier aan te merken. Dat zou op zijn beurt met zich meebrengen dat het mogelijk moet zijn om met een BESS via een directe lijn één of meerdere afnemers rechtstreeks te bevoorraden.
Betekenis voor de Nederlandse praktijk
Praktische kansen voor projecten
Een windpark, zonnepark of warmtekrachtkoppelingscentrale kan een nabijgelegen bedrijf rechtstreeks bevoorraden, terwijl de producent en de afnemer ieder hun aansluiting op het distributiesysteem behouden. Indien wordt aangenomen dat parallel gebruik van de ‘reserveaansluiting’ niet is uitgesloten, kan een producent via zijn eigen aansluiting invoeden én via een directe lijn leveren aan een afnemer, terwijl die afnemer zijn eigen aansluiting kan gebruiken voor momenten waarop zijn elektriciteitsbehoefte niet, of niet volledig, door de producent wordt gedekt.
Voor bedrijven met een grote en relatief voorspelbare elektriciteitsvraag, zoals industriële installaties en elektrolysers, kan rechtstreekse bevoorrading met lokaal opgewekte elektriciteit aantrekkelijk zijn. Of een directe lijn in een concreet project zinvol is, hangt onder meer af van de kosten van de directe lijn. Een bestaande directe lijn kan via een aftakking een nabijgelegen afnemer bereiken, bijvoorbeeld op een bedrijventerrein. Daardoor hoeft niet voor iedere nieuwe afnemer een afzonderlijke lijn vanaf de productie-installatie te worden aangelegd, maar kan de al bestaande lijn fungeren als een hoofdverbinding waarop nieuwe afnemers kunnen aansluiten. Afhankelijk van de afstand tussen de productie-installatie en de nieuwe afnemer en van het bestaande tracé, kan dat een aanzienlijke besparing op de aanlegkosten met zich meebrengen. Uiteraard moet dit samenstel van verbindingen als geheel wel de rechtstreekse bevoorrading van de afnemers blijven dienen: een verzameling private elektriciteitslijnen kwalificeert niet zonder meer als een directe lijn.
Het arrest geeft ook aanknopingspunten om ontwerpen die eerder tegen de beperkingen van de wettelijke definitie in de Energiewet aanliepen en daarom terzijde zijn gelegd, opnieuw te beoordelen. Tegelijkertijd kan het arrest aanleiding geven om bestaande private elektriciteitsinfrastructuur opnieuw te bezien. Ook bij bestaande infrastructuur die als gesloten systeem wordt beheerd of mogelijk ten onrechte zonder erkenning als gesloten systeem of aangewezen systeembeheerder wordt geëxploiteerd, kan herbeoordeling zinvol zijn. Het arrest maakt zulke infrastructuur echter niet automatisch tot directe lijn en heft bestaande wettelijke taken en verplichtingen niet vanzelf op.
Hoe nu verder?
De wetgever zal de definitie van de directe lijn in de Energiewet moeten aanpassen en in lijn brengen met de uitleg die het Hof daaraan heeft gegeven in het arrest. Zolang dat nog niet is gebeurd, is het de taak van de ACM en de rechter de huidige bepaling richtlijnconform uit te leggen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten nationale rechters en bestuursorganen hun nationale recht zoveel mogelijk uitleggen in overeenstemming met de bewoordingen en het doel van de omgezette richtlijn, teneinde het door die richtlijn beoogde resultaat te bereiken. De grens van die plicht ligt bij een contra legem-uitleg: de nationale bepaling mag niet zo worden uitgelegd dat daaraan een betekenis wordt gegeven die zij naar nationaal recht redelijkerwijs niet kan dragen. Binnen die grens lijkt artikel 3.9, eerste lid, van de Energiewet voldoende ruimte te bieden voor een ruimere, richtlijnconforme uitleg.
Die vereiste richtlijnconforme uitleg is in de Nederlandse context van bijzonder belang. De Nederlandse wetgever heeft namelijk geen gebruik gemaakt van de in het tweede en vijfde lid van artikel 7 van de Richtlijn opgenomen facultatieve mogelijkheden om objectieve en niet-discriminerende criteria vast te stellen voor de verlening van een vergunning voor de aanleg van een directe lijn respectievelijk de vergunningverlening afhankelijk te stellen van een weigering van toegang tot het systeem dan wel van de start van een geschillenbeslechtingsprocedure. Of een directe lijn wél of niet mogelijk is, is dan ook enkel afhankelijk van de vraag of de betreffende elektriciteitsverbinding voldoet aan de inhoudelijke afbakening van artikel 3.9, eerste lid, van de Energiewet – dat dus ruimer zal moeten worden uitgelegd dan nu in de wettekst is opgenomen.
In de praktijk betekent dit dat de ACM een directe lijn in de zin van het arrest niet kan weigeren met een beroep op de te beperkte formulering in de Energiewet.
Vooruitlopend op een wetswijziging kan een directe lijn die gebruikmaakt van de ruimere mogelijkheden die het arrest biedt alvast bij de ACM worden gemeld, onder verwijzing naar het arrest. Daarbij is van belang te benadrukken dat de ACM een melding van een directe lijn in beginsel niet inhoudelijk beoordeelt of goedkeurt. Registratie zegt op zichzelf dus niet of een concrete configuratie bij nader onderzoek als directe lijn standhoudt en kan ook niet als bewijs dienen dat sprake is van een directe lijn in plaats van een privaat systeem.
Heeft u vragen over de gevolgen van het arrest voor uw organisatie, of wilt u weten of een directe lijn voor uw bestaande of voorgenomen project uitkomst biedt? Neem dan contact op met onze specialisten. Wij denken graag met u mee.