Fiscale behandeling van letselschadevergoedingen in rechtspraak

27 augustus 2026

In de letselschadepraktijk verstrekt de aansprakelijke partij (of haar verzekeraar) bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst doorgaans een belastinggarantie. Deze garantie voorkomt dat de benadeelde alsnog met een fiscale claim wordt geconfronteerd als de Belastingdienst belasting heft over (een deel van) de uitgekeerde schadevergoeding.

In dit artikel

Hoewel de belastinggarantie de benadeelde zekerheid biedt, betekent dit niet dat daarmee ook vaststaat dat de uitgekeerde schadevergoeding fiscaal onbelast is. Met enige regelmaat ontstaat tussen verzekeraar en fiscus discussie over de vraag of (een deel van) de schadevergoeding moet worden aangemerkt als belast inkomen.

De Hoge Raad heeft het beoordelingskader voor de fiscale behandeling van letselschadevergoedingen ontwikkeld en dit in 2022 op enkele punten verduidelijkt. Ook de lagere rechtspraak heeft zich de afgelopen jaren meermaals over deze problematiek uitgesproken. In dit artikel zet ik de belangrijkste uitgangspunten en recente uitspraken op een rij.

Wat is het beoordelingskader voor de fiscale behandeling?

Tot begin jaren tachtig was de rechtspraak verdeeld over de vraag of een schadevergoeding als belastbaar inkomen moest worden aangemerkt. Met het zogenoemde Smeerkuil-arrest uit 1983 (ECLI:NL:HR:1983:LW9439) bracht de Hoge Raad hierin duidelijkheid door het uitgangspunt voor de fiscale behandeling van letselschadevergoedingen te formuleren.

In die zaak stond de vraag centraal of een vergoeding voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht als loon uit dienstbetrekking moest worden aangemerkt. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend en oordeelde dat een dergelijke vergoeding in beginsel niet zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking dat zij als loon moet worden beschouwd. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn.

De gedachte hierachter is gelegen in het bronnenstelsel van de inkomstenbelasting. Een vergoeding wegens verlies aan arbeidskracht strekt niet tot vervanging van inkomsten uit een bron, maar tot compensatie van het verlies van de bron zelf: de arbeidskracht. Daarom behoort een dergelijke vergoeding in beginsel niet tot het belastbare inkomen. In zijn arresten van 21 februari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB0164) en 31 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:529) heeft de Hoge Raad deze lijn bevestigd.

Wanneer geldt de uitzondering op de hoofdregel?

Hoewel de hoofdregel duidelijk leek, ontstond in de praktijk discussie over de reikwijdte van de uitzondering die de Hoge Raad in het Smeerkuil-arrest formuleerde. De Hoge Raad overwoog dat een vergoeding onder bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld wanneer de aanspraak daarop voortvloeit uit afspraken in de arbeidsovereenkomst) wel als loon kan worden aangemerkt.

In de jaren daarna werd deze uitzondering in de rechtspraak en praktijk ruim uitgelegd. Vergoedingen die werden toegekend op grond van een cao, rechtspositionele regeling of andere arbeidsvoorwaardelijke afspraak werden al snel als belast loon aangemerkt. Daardoor ontstond regelmatig discussie tussen de Belastingdienst en de aansprakelijke partij of diens verzekeraar over de vraag of een schadevergoeding onder de hoofdregel of onder de uitzondering viel.

Wat verduidelijkte de Hoge Raad in 2022?

Met twee arresten uit maart 2022 heeft de Hoge Raad de reikwijdte van de uitzondering verduidelijkt.

In zijn arrest van 25 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:444) oordeelde de Hoge Raad dat een vergoeding niet reeds belast is omdat zij haar formele grondslag vindt in een cao, arbeidsovereenkomst of rechtspositionele regeling. Doorslaggevend is of de werkgever méér vergoedt dan waarop de benadeelde uit hoofde van de aansprakelijkheid aanspraak zou hebben gehad. Is daarvan geen sprake, dan blijft de hoofdregel van onbelastbaarheid gelden.

Kort daarvoor had de Hoge Raad op 11 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:348) al geoordeeld dat een vergoeding wegens belastingschade (de zogenoemde brutering) fiscaal zelfstandig moet worden beoordeeld. Ook wanneer de onderliggende letselschadevergoeding onbelast is, betekent dit dus niet zonder meer dat hetzelfde geldt voor een vergoeding die uitsluitend strekt tot compensatie van de daarover verschuldigde belasting.

Aldus blijft de uitzondering bestaan, al lijkt het toepassingsbereik beperkter dan lange tijd gedacht.

Hoe past de lagere rechtspraak het kader toe?

De door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel is inmiddels behoorlijk uitgekristalliseerd. De recente lagere rechtspraak laat zien dat dit beoordelingskader doorgaans consequent wordt toegepast.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3003). In die zaak stond ter discussie of een vergoeding die was toegekend in het kader van een arbeidsrechtelijke procedure moest worden aangemerkt als belastbaar inkomen. Het hof oordeelde dat daarvan geen sprake was, omdat de vergoeding objectief bezien strekte tot compensatie van psychische schade en verlies aan arbeidskracht en niet tot ontslagcompensatie. Daarbij kende het hof veel gewicht toe aan de aard van de procedure, de onderbouwing van de ingestelde vordering en het ontbreken van afspraken die recht gaven op een hogere vergoeding dan uit de aansprakelijkheid voortvloeide. Daarmee sluit het hof aan bij het beoordelingskader dat de Hoge Raad in 2022 heeft verduidelijkt.

Hoewel het beoordelingskader inmiddels duidelijk is, leidt de fiscale kwalificatie van vergoedingen wegens verlies aan arbeidsvermogen nog regelmatig tot discussie. In de rechtspraak van de afgelopen jaren doet die discussie zich met name voor bij zelfstandig ondernemers. Daarbij gaat het om de vraag of de vergoeding ziet op blijvend verlies van arbeidskracht of op vervanging van gederfde of te derven winst.

Blijvend verlies van arbeidskracht of tijdelijke winstderving bij zelfstandigen?

In de rechtspraak over zelfstandig ondernemers wordt dit onderscheid, ondanks de kritiek daarop in de literatuur, veelal als beslissend criterium gehanteerd. Strekt een vergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen tot vervanging van tijdelijk gederfde of te derven winst, dan behoort deze in beginsel tot de belastbare winst. De gedachte daarachter is dat niet de bron van inkomen wordt gecompenseerd, maar de inkomsten die zonder het ongeval zouden zijn genoten. Is daarentegen sprake van blijvend verlies van arbeidskracht, dan ziet de vergoeding op het verlies van de bron zelf en blijft zij in beginsel buiten de inkomenssfeer.

Vergelijk in dit kader onder meer het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 oktober 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:4007). In die zaak stond de fiscale behandeling van een schadevergoeding aan een ondernemer centraal die bij een bedrijfsongeval letsel had opgelopen. Het hof overwoog dat een vergoeding wegens blijvend verlies van arbeidskracht buiten de inkomenssfeer valt en daarom onbelast is, terwijl een vergoeding die strekt tot (tijdelijke) vervanging van gederfde of te derven winst juist wel belast is. Met inachtneming van de arbeidsdeskundige rapportage achtte het hof aannemelijk dat sprake was van gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid, waardoor een deel van de vergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen onbelast bleef.

Ook in latere rechtspraak kon aannemelijk worden gemaakt dat sprake was van blijvend verlies van arbeidsvermogen. Zo oordeelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 7 november 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:6618) dat de omstandigheid dat een ondernemer na het ongeval in aangepaste vorm actief bleef binnen zijn onderneming, niet uitsluit dat sprake is van blijvend verlies van arbeidsvermogen. Doorslaggevend was dat de oorspronkelijke, fysiek belastende kernactiviteiten blijvend waren weggevallen en medisch gezien niet langer konden worden verricht.

In dit verband kan ook worden gewezen op het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2311). Ook daar ging het om een ondernemer die na een bedrijfsongeval weliswaar actief bleef binnen haar onderneming, maar de fysiek belastende kernactiviteiten niet langer kon uitvoeren. Het hof achtte daarom aannemelijk dat sprake was van blijvend verlies van arbeidsvermogen en oordeelde dat de daarop betrekking hebbende schadevergoeding onbelast was.

Uit deze uitspraken volgt dat voor de fiscale kwalificatie niet beslissend is of een benadeelde formeel nog werkzaam is binnen dezelfde onderneming of branche. Doorslaggevend is of hij – de bewijslast ligt daarbij overigens op hem – de oorspronkelijke, wezenlijke werkzaamheden nog duurzaam kan verrichten. Indien de kernactiviteiten als gevolg van het letsel blijvend zijn weggevallen of slechts nog op een medisch onverantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd, ligt een vergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen in beginsel buiten de inkomenssfeer. Bij de beantwoording van die vraag komt niet alleen betekenis toe aan de feitelijke werkzaamheden, maar ook aan de medische en arbeidsdeskundige onderbouwing.

Wat betekent dit voor de fiscale kwalificatie van letselschadevergoedingen?

Ruim veertig jaar na het Smeerkuil-arrest vormt de daarin ontwikkelde hoofdregel nog altijd het uitgangspunt voor de fiscale behandeling van letselschadevergoedingen. De recente lagere rechtspraak laat zien dat dit kader consequent wordt toegepast.

De fiscale kwalificatie van een vergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen leidt met name bij zelfstandigen echter nog regelmatig tot discussie. Strekt een dergelijke vergoeding tot compensatie van blijvend verlies van arbeidskracht of tot vervanging van gederfde of te derven winst? Het antwoord op die vraag hangt sterk af van de feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij zijn met name de feitelijke beperkingen en de medische en arbeidsdeskundige onderbouwing van belang.

Gerelateerd