De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Geen doorbreking verjaringstermijn bij schade als gevolg van mesothelioom. Hoe zit het ook alweer? (1)

Geen doorbreking verjaringstermijn bij schade als gevolg van mesothelioom. Hoe zit het ook alweer?

Doorbreking van de verjaringstermijn is niet aan de orde, zo oordeelde het hof Arnhem-Leeuwarden recent in een kwestie waarin een oud-werknemer de rechtsopvolger van zijn voormalig werkgever had aangesproken tot vergoeding van zijn schade als gevolg van een asbestziekte (mesothelioom).
Auteur artikelDieuwertje Bouchier
Gepubliceerd01 oktober 2020
Laatst gewijzigd01 oktober 2020
Leestijd 

Verjaringstermijn

Een dergelijke rechtsvordering verjaart krachtens de hoofdregel in artikel 3:310 lid 2 BW na een looptijd van 30 jaar, na blootstelling aan de stof. Deze verjaringstermijn kan onder omstandigheden worden doorbroken indien het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Of daarvan sprake is, wordt aan de hand van de door de Hoge Raad in het arrest Van Hese/De Schelde geformuleerde gezichtspunten beoordeeld. Het betreffen kort gezegd zeven gezichtspunten:

- (a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en - mede in verband daarmede - of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
- (b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
- (c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
- (d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
- (e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
- (f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
- (g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

Dit betreft geen limitatieve opsomming, ook andere omstandigheden kunnen meewegen. De gezichtspunten zijn hier wel richtinggevend en aan de hand van deze gezichtspunten wordt meer dan eens geoordeeld dat het beroep op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat dus gewoon de hoofdregel van artikel 3:310 BW heeft te gelden. Doorbreking van de verjaringstermijn is dan niet aan de orde. Zo ook in een recente uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden.

Hof Arnhem-Leeuwarden

Samengevat weergegeven ging het in die kwestie om een oud-werknemer bij wie in 2014 de diagnose mesothelioom is gesteld. Aangezien hij in de periode 1970-1976 bij twee rechtsvoorgangers van een energiebedrijf werkzaam zou zijn geweest als monteur luchtkanalen en bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden aan asbeststof (chrysotiel) zou zijn blootgesteld, heeft hij zijn oud-werkgever aansprakelijk gesteld. De oud-werkgever heeft aansprakelijkheid afgewezen, onder andere omdat de vordering is verjaard.

Het hof concludeert aan de hand van de zojuist weergegeven gezichtspunten dat geen sprake is geweest van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat het beroep van het energiebedrijf op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Met name gezichtspunt c-e leggen hier gewicht in de schaal.

Volgens het hof kan niet worden gezegd dat het energiebedrijf een verwijt van zodanige ernst valt te maken, dat het in het kader van de weging van gezichtspunten voldoende gewicht in de schaal legt in het voordeel van doorbreking van de verjaringstermijn. Niet kan worden aangenomen dat een bedrijf als het onderhavige (een installatiebedrijf, dus niet zijnde een primaire asbestverwerker of -producent) in de periode tot en met 1976 al doordrongen was of had moeten zijn van het feit dat ook een incidentele blootstelling aan asbeststof (het ging hier om witte asbest, chrysotiel) grote risico’s met zich bracht. Bovendien kon het energiebedrijf zich door het grote tijdsverloop maar moeilijk verweren tegen een dergelijke vordering en is naar het oordeel van het hof niet duidelijk geworden dat het energiebedrijf rekening had moeten houden met een eventuele aansprakelijkstelling op een moment dat zij nog beschikte over de documentatie over de oud-werknemer.

Conclusie

Kortom, in deze zaak geldt gewoon de hoofdregel in artikel 3:310 lid 2 BW, zodat heeft te gelden dat de vordering is verjaard. Doorbreking van de verjaringstermijn is niet aan de orde.