Zoeken
  1. Geurhinder door veehouderijen: een overzicht

Geurhinder door veehouderijen: een overzicht

Op 5 oktober 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. De wetgever heeft daarbij twee doelen voor ogen gehad: meer ruimte voor bedrijfsuitbreiding en een (minimaal) gelijkwaardig beschermingsniveau voor omwonenden tegen stankoverlast. Inmiddels bestaat de Wgv ruim 13 jaar en is de omvang van veel veehouderijen fors gegroeid. Tegelijkertijd neemt in veel gebieden de stankoverlast toe. In dit overzichtsartikel leest u hoe geurhinder getoetst wordt bij het vergunnen van veehouderijen en welke rol luchtwassers daarbij spelen. Ook lichten wij toe hoe u kunt optreden tegen geurhinder afkomstig van een nabijgelegen veehouderij.
Auteur artikelJeroen Niederer
Gepubliceerd25 april 2019
Laatst gewijzigd25 april 2019
Leestijd 

Toetsingskader
De Wgv vormt het exclusieve toetsingskader voor geur (of eigenlijk: stank) bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het houden van dieren in veehouderijen. Centraal staan vier maximale ‘emissie’(uitstoot)normen. Van belang is of de veehouderij is gelegen binnen of buiten de bebouwde kom en binnen of buiten een concentratiegebied. De concentratiegebieden zijn gelegen in Oost-Nederland (Overijssel en delen van Utrecht en Gelderland) en Zuid-Nederland (Noord-Brabant en Limburg).

De maximale uitstootnormen voor geur zijn:

  • Binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom: 3,0 odour per m3 lucht;
  • Binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom: 14,0 odour per m3 lucht;
  • Buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom: 2,0 odour per m3 lucht;
  • Buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom: 8,0 odour per m3 lucht.

Een gemeente kan via een gemeentelijke geurverordening afwijken van de normen uit de Wgv. De gemeente daarbij kiezen voor strengere of juist soepelere geurnormen. Verder gelden voor een aantal dierensoorten en woningen geen normen maar minimumafstanden, variërend van 25 tot 100 meter tot de buitenzijde van het ‘geurgevoelige object’. Dit zijn doorgaans woningen.

Belangrijk is dat de normen van de Wgv zien op de zogenaamde ‘voorgrondbelasting’, oftewel alleen de geuruitstoot van de veehouderij zelf. De ‘achtergrondbelasting’, oftewel de totale geuruitstoot op een geurgevoelig object, wordt niet getoetst in de Wgv. Er kunnen wel waarden voor de maximale geurbelasting voor bijvoorbeeld woongebieden worden opgenomen in een bestemmingsplan.

Luchtwassers
Om te voorkomen dat een veehouderij meer geur uitstoot dan volgens de Wgv is toegestaan, zal de veehouder in zijn vergunningaanvraag geurbeperkende maatregelen opnemen. Een veelgebruikte maatregel is het plaatsen van een of meerdere luchtwassers. Een luchtwasser filtert de uitgaande lucht in een stal op geur en ammoniak. Er bestaan chemische, biologische en gecombineerde ('combi-')luchtwassers, allemaal met verschillende rendementen. 

Problematisch is dat de veelgebruikte combi-luchtwassers in de praktijk minder effectief blijken te zijn dan waarvan in de regelgeving en vergunningverlening is uitgegaan. Uit een tweedelig rapport van Wageningen University & Research (“WUR”) volgt dat combi-luchtwassers gemiddeld slechts de helft van het verwachte geurrendement realiseren. Op sommige meetlocaties was zelfs helemaal geen sprake van geurverwijdering. Naar aanleiding van het WUR-onderzoek heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op 17 juli 2018 een groot aantal emissiefactoren uit de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) verlaagd. Deze regeling is primair bedoeld voor nieuwe veehouderijen of uitbreidingen. Ook is er een commissie ingesteld, de Commissie geurhinder en veehouderij, die de minister moet rapporteren over welke maatregelen in de rede liggen ten behoeve van omwonenden op korte termijn en een robuust geurbeleid op de lange termijn. Het rapport van de Commissie is deze maand verschenen; wij berichten hierover in een afzonderlijk artikel.

Combi-luchtwassers in de rechtspraak
De discussie over de geursituatie bij veehouderijen komt ook terug in de rechtspraak.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”) stelde zich oorspronkelijk op het standpunt dat de emissiefactoren uit de Rgv zonder meer doorslaggevend zijn. Bij het berekenen van de geuremissie van een veehouderij in het kader van de vergunningverlening moet volgens de Afdeling worden uitgegaan van de hierin opgenomen fictieve rendementen, niet van de werkelijke (gemeten) geurvermindering. Het verbinden van extra geurvoorschriften aan een vergunning is niet mogelijk, omdat dit een doorkruising van de Rgv oplevert. 

Eind 2018 heeft de Afdeling zijn koers enigszins aangepast. In zijn uitspraak van 28 november 2018 oordeelde de Afdeling dat een bestuursorgaan vanwege de problematiek met de verminderde rendementen van de gecombineerde luchtwassers niet zonder nadere motivering mag uitgaan van de rendementen uit de Rgv. Het bestuursorgaan zal dus moeten aantonen dat het verwachte rendement van een luchtwasser in de praktijk ook daadwerkelijk gehaald zal worden.  

Ook in de lagere rechtspraak zijn uitspraken gewezen over de werking van luchtwassers. De rechtbank Gelderland oordeelde in een vergelijkbare casus dat een vergunning niet gebaseerd mag worden op de oude, hogere rendementen die voorheen voor luchtwassers golden. De rechtbank Limburg oordeelde in een andere uitspraak dat de nieuwe rendementen uit de Rgv voorlopig als ‘ondergrens’ moeten worden aangemerkt. Aan de hand van geurmetingen zal moeten blijken welke geurvermindering in de praktijk haalbaar is. 

Recentelijk heeft ook de rechtbank Oost-Brabant zich uitgelaten over het rendement van de combi-luchtwassers. In haar uitspraak van 14 maart 2019 oordeelt de rechtbank dat de gemeente Landerd terecht een omgevingsvergunning voor een varkenshouderij gedeeltelijk heeft geweigerd. Deze uitspraak bespreken wij uitvoerig in een ander artikel.

Procedure
Als u als omwonende stankoverlast ondervindt van een nabijgelegen veehouderij, dan kunt u denken aan de volgende maatregelen:

Opkomen tegen nieuwe of gewijzigde vergunning
Een agrariër die zijn bedrijfsvoering wil veranderen of uitbreiden, zal doorgaans een nieuwe omgevingsvergunning moeten aanvragen. Tegen het besluit tot vergunningverlening staat bezwaar bij het bestuursorgaan en (hoger) beroep bij de bestuursrechter open. U doet er echter verstandig aan om in een zo vroeg mogelijk stadium uw bezwaren kenbaar te maken. Bij een vergunning die via de zogenaamde ‘uniforme voorbereidingsprocedure’ wordt verleend, kunt u dit doen door het indien van een zienswijze. Deze zienswijze moet uiterlijk worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Het is daarbij raadzaam om ook een deskundige op het gebied van geurhinder(regelgeving) in te schakelen, die de vergunningaanvraag kritisch kan beoordelen.

Handhaven voorschriften bestaande vergunning
Als een veehouder meer geur uitstoot dan op grond van de verleende omgevingsvergunning is toegestaan, dan kunt u een handhavingsverzoek indienen bij het bevoegde gezag. Dit is in veel gevallen het bestuursorgaan dat de vergunning heeft verleend. Het bestuursorgaan dient de bedrijfsvoering te onderzoeken en zal bij een geconstateerde overtreding in veel gevallen tot handhaving moeten overgaan. De agrariër zal dan zijn bedrijfsvoering moeten aanpassen, bijvoorbeeld door het plaatsen van extra luchtwassers.

Onrechtmatige hinder voorkomen en vergoeden
Als u stankoverlast in en rondom uw woning ondervindt, dan kunt zich ook wenden tot de civiele rechter. De grondslag daarvoor is het veroorzaken van onrechtmatige hinder. Van onrechtmatige hinder is sprake bij stankoverlast die ontstaat doordat de veehouder niet aan de regelgeving of vergunningvoorschriften voldoet (en ook niet kan voldoen). Maar ook vergunde stankoverlast kan onrechtmatig zijn. U kunt de civiele rechter vragen om aan de veehouder te gebieden om stankbeperkende maatregelen te nemen en om de door u geleden schade te vergoeden. Bij een dergelijke onrechtmatige daadsactie is het zaak dat u, met een rapport van een deskundige, kunt aantonen dat de door u ondervonden hinder boven de in uw gebied geldende geurnorm uitkomt.

Het is bij al deze mogelijke acties aan te raden om niet alleen op te trekken. Als u samen met naaste omwonenden optrekt biedt dat uiteraard kostenvoordelen (de kosten van een advocaat en van een geurdeskundige). Maar ook is het prettiger om zo’n traject met meerdere gelijkgestemden in te gaan. De veehouder zal immers niet blij zijn met uw actie, want hij wil verder met zijn bedrijf, en het blijft toch uw buurman.

Vragen
Heeft u vragen over de Wet geurhinder en veehouderij? Of wilt u opkomen tegen stankoverlast veroorzaakt door een nabijgelegen veehouderij? Belt of mailt u met mr. Jeroen Niederer of mr. Hanna Zeilmaker. Wij helpen u graag verder.