Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Het informatierecht van de pandhouder van vorderingen op naam (1)

Het informatierecht van de pandhouder van vorderingen op naam

Wanneer een schuldeiser een zekerheidsrecht heeft gekregen in de vorm van een stil pandrecht op vorderingen op naam dient hij over gegevens te beschikken omtrent de verpande vorderingen, alvorens hij over kan gaan tot mededeling van de verpanding aan de debiteuren. Heeft deze mededeling plaats gevonden dan is het stil pandrecht een openbaar pandrecht geworden en kunnen de debiteuren alleen nog bevrijdend betalen aan de pandhouder. Ook tijdens het faillissement van de pandgever is de pandhoude...
Auteur artikelAlexandra Slaski (uit dienst)
Gepubliceerd13 september 2011
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Wanneer een schuldeiser een zekerheidsrecht heeft gekregen in de vorm van een stil pandrecht op vorderingen op naam dient hij over gegevens te beschikken omtrent de verpande vorderingen, alvorens hij over kan gaan tot mededeling van de verpanding aan de debiteuren. Heeft deze mededeling plaats gevonden dan is het stil pandrecht een openbaar pandrecht geworden en kunnen de debiteuren alleen nog bevrijdend betalen aan de pandhouder. Ook tijdens het faillissement van de pandgever is de pandhouder bevoegd om mededeling van zijn pandrecht te doen en de inningsbevoegdheid van de verpande vorderingen naar zich toe te trekken (dit is onder meer bevestigd in het arrest Mulder q.q./CLBN). De pandhouder is immers separatist, hetgeen betekent dat hij zijn rechten kan uitoefenen alsof er geen faillissement was.

De pandhouder mag dus ook tijdens faillissement mededeling doen van de verpanding. Tot twee jaar geleden was niet duidelijk of hij van de curator afdracht kon vorderen van informatie (zoals de NAW gegevens) die benodigd was om die mededeling te kunnen doen. Menig curator stelde zich op het standpunt dat de pandhouder weliswaar bevoegd was om zijn stil pandrecht om te zetten in een openbaar pandrecht, maar dat de pandhouder hiervoor geen beroep op de curator kon doen. Met andere woorden: curatoren waren van mening dat zij niet gehouden waren de pandhouder te voorzien van informatie omtrent de verpande vorderingen benodigd voor het doen van mededeling.

In zijn arrest van 30 oktober 2009 (Hamm q.q./ABN AMRO Bank) heeft de Hoge Raad beslist dat – net zoals de pandgever buiten faillissement dient te doen – de curator de pandhouder alle informatie dient te verschaffen omtrent (de debiteuren van) de verpande vorderingen waarover de curator de beschikking heeft en die de pandhouder nodig heeft om mededeling te kunnen doen van zijn pandrecht. “Deze verplichting inlichtingen te verschaffen vloeit voort uit de aard en strekking van het stil pandrecht op vorderingen op naam in verband met de in art. 3:246 lid 1 en 4 BW genoemde rechtsgevolgen die zijn verbonden aan mededeling van het stil pandrecht door de pandhouder aan de debiteur van de verpande vordering, te weten het ontstaan van de nagenoeg exclusieve bevoegdheid van de pandhouder om in en buiten rechte - en ingeval van faillissement van de pandgever: alsof dit er niet was (art. 57 F.) - voldoening van de verpande vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Zou immers de genoemde verplichting van de gefailleerde pandgever en van de curator inlichtingen te verschaffen niet worden aangenomen dan zou de uitoefening van die bevoegdheden grotendeels illusoir worden, met als gevolg dat de mogelijkheid om overeenkomstig art. 3:239 stil pandrecht te vestigen in de kern zou worden aangetast”, aldus de Hoge Raad. In tegenstelling tot de situatie buiten faillissement – waar de pandgever verplicht is de informatie kosteloos af te staan – kan de curator een vergoeding vragen van de pandhouder voor de werkzaamheden die hij in dit kader verricht.

In de zaak die leidde tot de uitspraak van 15 maart 2011 van de rechtbank Rotterdam (JOR 2011/269) bestond tussen de curator en de (inmiddels openbaar) pandhouder een geschil omtrent de reikwijdte van het informatierecht van de pandhouder en de vergoeding aan de boedel voor het verschaffen van informatie. De pandhouder wist wie de debiteuren waren en had inmiddels aan hen mededeling gedaan, maar wenste over de projectadministratie te beschikken in verband met eventuele tegenvorderingen van de debiteuren. De curator had in dit kader veel meer werkzaamheden verricht dan door de pandhouder gevraagd en wilde een vergoeding daarvoor voordat hij de informatie aan de pandhouder zou afstaan. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad zich in het arrest Hamm q.q./ABN AMRO Bank niet heeft uitgelaten over de vraag of de curator gehouden is meer gegevens uit de administratie van de failliet te verschaffen dan alleen de gegevens die nodig zijn om het pandrecht mede te delen, te weten alle overige gegevens uit de administratie van de pandgever die nodig zijn om vervolgens inhoud te geven aan de inning van de vorderingen, daaronder begrepen het weerleggen van tegen de betrokken vorderingen gevoerde verweren. Vervolgens oordeelt de rechtbank terecht dat die verplichting inderdaad bestaat. Zou de verplichting slechts beperkt zijn tot het verschaffen van de NAW gegevens van debiteuren en niet de gegevens omvatten die nodig zijn de inning van de vorderingen daadwerkelijk uit te voeren, dan zou de uitoefening van die bevoegdheden grotendeels illusoir worden.

De curator had zijn verplichting om de informatie te verschaffen opgeschort totdat de pandhouder de vergoeding aan de boedel zou betalen. De rechtbank oordeelt dat de curator hiertoe niet gerechtigd was. De pandhouder wenste slechts inzage in de projectadministratie, terwijl de curator meer werkzaamheden had verricht en in rekening wilde brengen, zoals het up to date maken van de projectadministratie. De rechtbank beslist dat nu de curator werkzaamheden heeft verricht zonder dat daartoe een verzoek was gedaan door de pandhouder en zonder dat over het verrichten van die werkzaamheden en de vergoeding overeenstemming bestond, de pandhouder niet voor die werkzaamheden hoeft te betalen. Uiteraard dient de pandhouder wel een redelijke vergoeding te betalen voor de gevraagde informatie die hij wenst te verkrijgen (inzage in de projectadministratie) en de curator dient gemotiveerd aan te geven hoe hoog de redelijke vergoeding voor de gevraagde informatie is (de tijd die hij kwijt is om aan deze verplichting te voldoen). Ongevraagde informatie die de curator verschaft, zoals het up to date brengen van de projectadministratie, mag hij niet in rekening brengen. Deze uitkomst lijkt mij terecht: het is aan de pandhouder om te beoordelen welke informatie hij nodig heeft om zijn rechten uit te kunnen oefenen. Voor de gevraagde gegevens is hij een redelijke vergoeding aan de boedel verschuldigd.