Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Hof bevestigt uitspraak van Gerecht in FresQ zaak

Hof bevestigt uitspraak van Gerecht in FresQ zaak

In de periode 2004 – 2007 had FresQ voor ongeveer 21 miljoen euro aan GMO-subsidie ontvangen. Na controles onttrok de Commissie deze subsidie aan de communautaire financiering, omdat FresQ geen regie had over de afzet. Het door Nederland hiertegen ingestelde beroep werd door het Gerecht van de EU (Gerecht) bij arrest van 16 september 2013 verworpen. Nederland liet het er niet bij zitten en stelde hoger beroep in. In een arrest van 6 november 2014 wees het Hof van Justitie (Hof) het hoger bero...
Auteur artikelDirkzwager
Gepubliceerd11 november 2014
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
In de periode 2004 – 2007 had FresQ voor ongeveer 21 miljoen euro aan GMO-subsidie ontvangen. Na controles onttrok de Commissie deze subsidie aan de communautaire financiering, omdat FresQ geen regie had over de afzet. Het door Nederland hiertegen ingestelde beroep werd door het Gerecht van de EU (Gerecht) bij arrest van 16 september 2013 verworpen. Nederland liet het er niet bij zitten en stelde hoger beroep in. In een arrest van 6 november 2014 wees het Hof van Justitie (Hof) het hoger beroep af. Het besluit van de Commissie is daarmee definitief geworden.

Casus en achtergronden

Voor de casus en achtergronden wordt verwezen naar het artikel Gerecht: FresQ had geen regie over de afzet.

Het oordeel van het Hof

In hoger beroep voerde Nederland een aantal argumenten aan om het arrest van het Gerecht vernietigd te krijgen.

Verlichting van de bewijslast

Volgens het Gerecht moest Nederland bewijzen dat er voldoende gecontroleerd was. Nederland stelde zich op het standpunt dat hiermee de bewijslast van de Commissie ten onrechte was verlicht. Het Hof volgt Nederland hierin niet. De verantwoordelijkheid voor de controles op de betaling van de GMO-subsidie  ligt primair bij de lidstaten. De Commissie hoeft slechts na te gaan onder welke omstandigheden de betalingen en controles hebben plaatsgevonden. De Commissie hoeft de ontoereikendheid van deze controles niet uitputtend aan te tonen. Het volstaat dat de Commissie bewijs levert van ernstige en redelijke twijfel omtrent de controles en de cijfers. Het is vervolgens de lidstaat die per geval gedetailleerd en volledig dient te bewijzen dat de controles daadwerkelijk zijn verricht of dat de cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, dat de beweringen van de Commissie onjuist zijn. De bewijslast keert dus om zodra de Commissie bewijs voor ernstige en redelijke twijfel heeft overgelegd. Deze omkering leidt er volgens het Hof niet toe dat de betrokken lidstaat in een ongunstigere situatie wordt gebracht dan de Commissie, aangezien deze lidstaat beter dan de Commissie in staat is om verdere toelichting te geven en relevante bewijzen aan te dragen.

Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat de Commissie ernstige en redelijke twijfel omtrent de door Nederland uitgevoerde controles mocht koesteren en dat dus op goede gronden bewijslast van de Commissie verlicht mocht worden.

Uitleg van het begrip “personeel”

Op grond van 6 Verordening 1432/2003 (thans artikel 23 Verordening 543/2011) dienen erkende producentenorganisaties onder andere te beschikken over het personeel dat nodig is om er voor te zorgen  (i) dat de productie wordt gepland en aan de vraag wordt aangepast, (ii) dat het aanbod van de producten van de leden wordt geconcentreerd en op de markt wordt gebracht en (iii) dat de productiekosten worden geoptimaliseerd en de producentenprijzen worden gestabiliseerd.  Volgens Nederland heeft het Gerecht het begrip “personeel” onjuist uitgelegd door gedetacheerd personeel niet als personeel van de producentenorganisatie aan te merken. Ook hierin volgt het Hof Nederland niet. Het Hof wijst erop dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op de feitelijke vaststellingen van de Commissie dat het gedetacheerde personeel “uitsluitend de instructies van [de] teler opvolgt” en “onder gezag blijft staan van de teler, van wie het afhangt en wiens instructies het moet uitvoeren”. Deze feitelijke vaststellingen heeft Nederland niet betwist. Zodoende heeft het Gerecht het begrip “personeel” niet verkeerd uitgelegd.

Intrekking van de erkenning

In de visie van Nederland had de Commissie de aan FresQ verleende GMO-subsidie niet aan de communautaire financiering kunnen onttrekken, omdat Nederland de erkenning van FresQ niet had ingetrokken. Het Hof wijst erop dat producentenorganisatie slechts voor GMO-subsidie in aanmerking kan komen als deze organisatie aan de erkenningscriteria voldoet. Een producentenorganisatie die weliswaar is erkend, maar die niet aan de erkennningscriteria voldoet kan geen aanspraak maken op GMO-subsidie. Hierbij is het niet relevant of de lidstaat in kwestie de erkenning heeft ingetrokken. De weigering om uitgaven te financieren die in strijd met het Unierecht zijn verricht, mag volgens het Hof namelijk niet afhangen van de vraag of de nationale autoriteiten de erkenning hebben ingetrokken. Anders zou de mogelijkheid om financiering te weigeren, afhangen van een beslissing van de nationale autoriteiten.

Evenredigheid

In de onderhavige zaak hadden slechts enkele leden van FresQ zich onttrokken aan de regie die FresQ op grond van erkenningscriteria over de afzet moest hebben.  Omdat de regie over de afzet slechts in beperkte mate was ontdoken zou het Gerecht het evenredigheidsbeginsel hebben geschonden door de totaal ontvangen GMO-subsidie aan de communautaire financiering te onttrekken. Het Hof maakt korte metten met deze Nederlandse stelling. Een producentenorganisatie kan slechts voor GMO-subsidie in aanmerking komen als zij als zodanig erkend is. Om voor erkenning in aanmerking te komen moet de producentenorganisatie in haar geheel aan de erkenningscriteria voldoen. Dus ook als een producentenorganisatie ten dele niet voldoet aan de erkenningscriteria, kan geen aanspraak worden gemaakt op GMO-subsidie. Van schending van het evenredigheidsbeginsel was dus geen sprake.

Slot

De door Nederlandse aangevoerde argumenten verbazen enigszins. Reeds in 2009 werd de erkenning van de Nederlandse producentenorganisatie Batavia geschorst door het Productschap Tuinbouw, destijds de bevoegde Nederlandse toezichthouder. De reden was ook hier een gebrekkige regie over de afzet. In die zaak verkochten enkele telers zelf de eigen producten buiten Batavia om. Batavia maakte bezwaar tegen de schorsing en vraagt een voorlopige voorziening. Volgens Batavia zou het buiten haar om verkopen van producten niet als een ernstige overtreding van de erkenningscriteria zijn aan te merken. Als het al een ernstige overtreding zou zijn, dan was er geen grond de erkenning volledig te schorsen. De geconstateerde tekortkoming had immers enkel betrekking op fruit en met fruit werd slechts 12,5 % van de totale omzet behaald. De argumenten van Batavia troffen geen doel. De voorzitter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven weigert de gevraagde voorlopige voorziening in de uitspraak van 22 juni 2010. Er was wel degelijk sprake van een ernstige overtreding. Bovendien is een gedeeltelijke schorsing van de erkenning op grond van de GMO-regels niet mogelijk. Batavia was immers erkend voor zowel groenten als fruit.