Zoeken
  1. Let op de ladder voor duurzame verstedelijking!

Let op de ladder voor duurzame verstedelijking!

Bestemmingsplannen moeten sinds 1 oktober 2012 worden gemotiveerd aan de hand van de zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. In de praktijk heeft de ladder al tot aardig wat verwarring geleid. Er bestaat onduidelijkheid over de vraag hoe de verschillende treden uit de ladder moeten worden geïnterpreteerd. De ladder is dan ook een populair onderwerp in de rechtspraak. De inmiddels vele uitspraken van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn helaas over het algemeen ca...
Auteur artikelKristy Tilleman (uit dienst)
Gepubliceerd09 oktober 2014
Laatst gewijzigd09 oktober 2014
Leestijd 
Bestemmingsplannen moeten sinds 1 oktober 2012 worden gemotiveerd aan de hand van de zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. In de praktijk heeft de ladder al tot aardig wat verwarring geleid. Er bestaat onduidelijkheid over de vraag hoe de verschillende treden uit de ladder moeten worden geïnterpreteerd. De ladder is dan ook een populair onderwerp in de rechtspraak. De inmiddels vele uitspraken van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn helaas over het algemeen casuïstisch van aard, waardoor het soms onduidelijk is hoe die uitspraken exact moeten worden geïnterpreteerd. In de uitspraak van de Raad van State van 13 augustus 2014 worden ten aanzien van de eerste trede van de ladder wel wat handvatten gegeven.

Wat is de ladder voor duurzame verstedelijking?
De ladder voor duurzame verstedelijking is neergelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro. De ladder moet in de toelichting van ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, worden opgenomen. Het voornaamste doel is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik. De ladder houdt in dat ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’, bijvoorbeeld ruimtelijke ontwikkelingen van woningbouw of detailhandel, moeten worden gemotiveerd aan de hand drie treden.

Trede 1: Is er een actuele regionale behoefte? (artikel 3.1.6 lid 2 onder a Bro)
In het kader van de eerste trede moet worden beoordeeld of er een ‘actuele regionale behoefte’ bestaat aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. In de hiervoor genoemde uitspraak geeft de Raad van State aan dat bij de beoordeling of sprake is van zo’n actuele regionale behoefte, de behoefte moet worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. Gemotiveerd moet worden dat rekening is gehouden met de mogelijkheid van (winkel)leegstand. Inzichtelijk moet worden gemaakt dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in de betrokken regio zal leiden. Dat betekent dat een zeker overaanbod geen probleem hoeft te zijn, zolang maar wordt gemotiveerd dat de leegstand niet zodanig is dat de goede ruimtelijke ordening in het gedrang komt.
Let er bij de eerste trede ook op dat de behoefte inzichtelijk wordt gemaakt aan de hand van concrete gegevens en dat over de gemeentegrenzen heen wordt gekeken. Het gaat immers om een regionale behoefte. Voorts moet die regionale behoefte actueel te zijn. Dit wordt onder meer bepaald aan de hand van de vraag of elders in de regio een soortgelijke stedelijke ontwikkeling staat gepland of reeds plaatsvindt die in die behoefte kan voorzien. Dit vereist een regionale afstemming.

Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied? (artikel 3.1.6 lid 2 onder b Bro)
Als er sprake is van een actuele regionale behoefte, dan moet volgens de tweede trede worden beoordeeld of die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de regio kan worden opgevangen, door benutting van beschikbare gronden door bijvoorbeeld herstructurering of transformatie.  Interessant zijn natuurlijk de uitspraken waarin het wordt toegestaan dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte wordt voorzien. Zie daarvoor onder meer de uitspraak van de Raad van State van 23 april 2014. Uit die uitspraak volgt bovendien dat zelfs de voorkeur van het bedrijf zelf mag worden meegenomen in de afweging om een ontwikkeling toch buiten bestaand gebied mogelijk te maken.

Trede 3: Is of kan de locatie multimodaal ontsloten worden voor de resterende regionale behoefte?
De derde trede speelt een rol als inpassing van de beoogde stedelijke ontwikkeling binnen het bestaande stedelijke gebied niet mogelijk is en de ontwikkeling dus moet worden ingepast buiten het bestaand stedelijk gebied. In dat geval moet worden beoordeeld in hoeverre de ontwikkeling mogelijk is op locaties die al ontsloten zijn of ontsloten worden door verschillende modaliteiten (‘multimodaal ontsloten’) op een schaal die passend is bij de beoogde ontwikkeling. In de rechtspraak wordt tot nu toe niet of nauwelijks ingegaan op deze derde trede.

Conclusie
Het is van groot belang dat de ladder voor duurzame verstedelijking wordt opgenomen in de toelichting van bestemmingsplannen. Het niet, of niet volledig, opnemen van de ladder in de toelichting van het plan kan namelijk leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Hoe ruim artikel 3.1.6 lid 2 Bro moet worden uitgelegd is ook nog niet geheel duidelijk De rechtspraak is nog volop in ontwikkeling!