Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Meer over de maximaliseringsregel bij planschade

Meer over de maximaliseringsregel bij planschade

In twee uitspraken van 8 september 2010 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van de State geoordeeld over de zgn. maximaliseringsregel bij planschadeverzoeken.In de uitspraak van de Afdeling in een Woudrichemse planschadezaak (LJN: BN6181) ging het erom of realisering van meer dan 400 m2 extra bebouwing op het eigen perceel van verzoeker met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten.In de uitspraak van de Afdeling (LJN: BN6155, gemeente De Wolden) was de v...
Auteur artikelHanna Zeilmaker
Gepubliceerd21 september 2010
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
In twee uitspraken van 8 september 2010 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van de State geoordeeld over de zgn. maximaliseringsregel bij planschadeverzoeken.
In de uitspraak van de Afdeling in een Woudrichemse planschadezaak (LJN: BN6181) ging het erom of realisering van meer dan 400 m2 extra bebouwing op het eigen perceel van verzoeker met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten.
In de uitspraak van de Afdeling (LJN: BN6155, gemeente De Wolden) was de vraag aan de orde of het college bij de planologische vergelijking wat het nieuwe regime betreft mocht uitgaan van de feitelijke situatie, die voor verzoekers in gunstige zin afweek van wat onder het oude regime mogelijk was.

De maximaliseringsregel houdt in dat bij de vergelijking tussen het “oude” en het “nieuwe” plan  niet de feitelijke situatie van belang is, maar hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon of kan worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt van vergelijking op basis van de maximale invulling moet worden afgeweken.

In de uitspraak van de Afdeling in een Woudrichemse planschadezaak (LJN: BN6181) ging het erom of realisering van meer dan 400 m2 extra bebouwing op het eigen perceel van verzoeker met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten.
De Afdeling oordeelt dat, ánders dan bij schade als gevolg van een planologische ontwikkeling op naburige percelen, in het geval van een planologische ontwikkeling op het eigen perceel een rol speelt in hoeverre de maximale mogelijkheden van het oude planologische regime rendabel zijn, dat wil zeggen dat realisering daarvan niet tot een nadeliger vermogenspositie zal leiden. In dit geval zou de realisering van 460 m2 extra bebouwing niet op  rendabele wijze kunnen worden gerealiseerd, en kon deze realisering dus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten worden geacht.
In deze uitspraak gaat de Afdeling ook nog uitgebreid in op de vraag of sprake was van passieve risicoaanvaarding. De verwijzing naar een in het verleden gevoerde handhavingprocedure en correspondentie over een mogelijke bestemmingswijziging konden volgens de Afdeling niet leiden tot het oordeel dat voor verzoeker voorzienbaar was dat de bebouwingsmogelijkheden op het perceel zouden worden beperkt.

In de uitspraak van de Afdeling (LJN: BN6155, gemeente De Wolden) was de vraag aan de orde of het college bij de planologische vergelijking wat het nieuwe regime betreft mocht uitgaan van de feitelijke situatie, die voor verzoekers in gunstige zin afweek van wat onder het oude regime mogelijk was. De rechtbank had geoordeeld dat het zeer onwaarschijnlijk was dat de onder het nieuwe regime toegelaten maximale bouwhoogte van 15 meter alsnog wordt gerealiseerd of dat het bebouwingsvlak op het perceel wordt uitgebreid, gezien het bouwplan en de gedeeltelijke realisatie van het woon-zorgcomplex en de bij de vrijstelling behorende inrichtingsschets. Volgens de Afdeling heeft de rechtbank juiste toepassing gegeven aan de maatstaf dat realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. De rechtbank was dus wat het nieuwe regime betreft terecht uitgegaan van de feitelijke situatie.
Ook de maximale invulling onder het oude regime werd onder de loep genomen. Volgens de Afdeling was niet uit te sluiten dat onder het oude regime “bijvoorbeeld een gebouw in carrévorm om een binnenplaats” zou zijn gebouwd, en dat dit gebouw, met inachtneming van de relevante bebouwingsbepalingen, van een dakvorm inclusief dakkapellen tot de maximale bouwhoogte van 15 meter zou zijn voorzien. De lagere bouwhoogte onder het nieuwe regime leverde dus een planologisch voordeel op.