De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Naleving Wet openbaarheid van bestuur is verantwoordelijkheid Minister en niet van de provincie/gemeente

Naleving Wet openbaarheid van bestuur is verantwoordelijkheid Minister en niet van de provincie/gemeente

Op 15 november 2011 heeft de Kroon een uitvoerig KB (nr. 11.002723) geslagen met interessante overwegingen over de verplichtingen in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur en de verantwoordelijkheid voor de correcte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.Het KB Zeeland ziet op de onteigening ten behoeve van het provinciale inpassingsplan “Waterdunen’. Dit plan voorziet in een integrale gebiedsontwikkeling waarbij kustversterking wordt gecombineerd met de realisatie...
Leestijd 
Auteur artikel Hanna Zeilmaker
Gepubliceerd14 december 2011
Laatst gewijzigd16 april 2018
 
Op 15 november 2011 heeft de Kroon een uitvoerig KB (nr. 11.002723) geslagen met interessante overwegingen over de verplichtingen in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur en de verantwoordelijkheid voor de correcte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

Het KB Zeeland ziet op de onteigening ten behoeve van het provinciale inpassingsplan “Waterdunen’. Dit plan voorziet in een integrale gebiedsontwikkeling waarbij kustversterking wordt gecombineerd met de realisatie van een aaneengesloten intergetijdengebied, en met de hervestiging en uitbreiding van een recreatiepark.

Ontvankelijkheid ZLTO
In de eerste plaats was de ontvankelijkheid van zienswijze van de plaatselijke afdeling van ZLTO aan de orde. Naar het oordeel van de Kroon kan deze vereniging uitsluitend een zienswijze naar voren brengen in het kader van de behartiging van de algemene en collectieve belangen van de aangesloten leden. Als ZLTO ook de individuele belangen van zijn leden wil behartigen moeten de leden ZLTO daartoe hebben gemachtigd. De overgelegde machtiging voorziet niet in het naar voren brengen van zienswijzen namens individuele leden in de onteigeningsprocedure. Kennelijk –het KB zegt daarover niets- behelst de zienswijze evenmin de collectieve belangen van de leden. De Kroon acht ZLTO niet-ontvankelijk in zijn zienswijzen.

Bevoegdheid tot inzetten onteigeningsinstrument
Verder was door (andere) reclamanten betoogd dat de bevoegdheid van Provinciale Staten om tot een onteigeningsverzoek te besluiten ontbrak, omdat de provincie het principe van vrijwillige grondverwerving zou huldigen. De Kroon gaat daar niet in mee, omdat de bewuste Nota niet ziet op de bevoegdheden van Provinciale Staten en omdat in de door Provinciale Staten vastgestelde nota Grondbeleid wel degelijk uitgaat van onteigening als uiterste middel.
Ook de verwijzing naar de brief van 8 februari 2011 van de Staatssecretaris over de restrictieve inzet van het onteigeningsinstrument ten behoeve van de EHS gaat niet op; het gaat hier om een integrale gebiedsontwikkeling en het gebied is geen onderdeel van de EHS.

Zakelijke beschrijving
Ook was een zienswijze gericht tegen de zakelijke beschrijving. Deze gaf volgens reclamanten een onjuist en onvolledig beeld, omdat daarin niet werd gerefereerd aan de forse uitbreiding van de camping. De Kroon stelt vast dat het plan inderdaad voorziet in verplaatsing en uitbreiding van de camping, maar is van oordeel dat er niet een zodanig onvolledig of onjuist beeld is geschetst van de aard en strekking van het werk, dat belanghebbenden in het duister moeten tasten omtrent de bestemming van de gronden en de wijze van uitvoering van het plan. Uit het inpassingsplan en de ter inzage gelegde stukken kan immers worden opgemaakt dat het gaat om hervestiging op een groter areaal.
Verder vindt de Kroon het, gelet op de peildatum en de hantering van de termen ‘ca’ en ‘ruim’, niet vereist of noodzakelijk dat de zakelijke beschrijving de totale oppervlakte van de te onteigenen gronden exact aangeeft. Daarvoor is de perceelslijst bij het verzoekbesluit doorslaggevend.

Schending Wet bescherming persoongegegevens?
Reclamanten hebben zich verder beroepen op schending van de Wet bescherming persoongegevens (Wbp). De ter visie gelegde stukken, waaronder gespreksverslagen, zouden privacygevoelige informatie inhouden. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure zou den ook in strijd met het reht (met name art. 3:11 Awb) zijn doorlopen. De Kroon merkt op dat art. 3:11 Awb voorschrijft dat met een ontwerpbesluit de stukken worden ter inzage gelegd die nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp. Artikel 78 Onteigeningswet schrijft voor dat in ieder geval de in art. 79 Onteigeningswet genoemde stukken ter inzage worden gelegd. Daaronder valt dus ook het overzicht van het gevoerde minnelijk overleg met bewijsstukken. De terinzagelegging van deze stukken was dus ook verplicht op grond van de Onteigeningswet in samenhang met de Awb.

Verantwoordelijkheid voor toepassing UOV-procedure en art. 10 Wob
Daarbij wijst de Kroon erop dat de Minister verantwoordelijk is voor de toepassing van de UOV-procedure en voor de toepassing van art. 10 Wet openbaarheid van bestuur (Wob). In het kader van de UOV-procedure wordt in art. 10 van de Wob uitsluitend de verstrekking van bijzondere persoonsgegevens uitgesloten. Daarbij gaat het om gegevens met betrekking tot godsdienstige overtuiging, secuele geaardheid enz. de persoonsgegevens in de ter inzage gelegde documenten zijn geen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in art. 10 van de Wob.
Bestendig beleid van de Minister is dat het logboek van het minnelijk overleg niet ter inzage wordt gelegd, en dat de ter inzage gelegde bewijsstukken worden ‘ gezwart’ voor de daarin genoemde bedragen. De Minister geeft daarvan kennis met de Wob-verklaring die in het ter inzage gelegde dossier is opgenomen. De terinzagelegging heeft in overeenstemming met de Onteigeningswet, de Awb en het bestendige beleid plaatsgevonden.
De sommatie van reclamanten om documenten uit de ter inzage gelegde dossiers te verwijderen had moeten worden gericht aan de Minister, die immers verantwoordelijk is voor de toepassing van de UOV-procedure, en niet aan de provincie en de gemeente. Reclamanten hadden hun sommatie gericht aan de provincie en de gemeenten, die vervolgens de ter inzage gelegde stukken gedeeltelijk hebben verwijderd.
De verwijderde stukken waren noodzakelijk voor de beoordeling van het ontwerpbesluit. De Kroon sluit dan ook niet uit dat belanghebbenden door de gedeeltelijke verwijdering een onvolledig beeld van het ontwerpbesluit en het onteigeningsplan hebben kunnen krijgen. Omdat er geen zienswijzen naar voren zijn gebracht die een dergelijke klacht bevatten, ziet de Kroon geen aanleiding om het onteigeningsverzoek op grond van de onvolledige terinzagelegging af te wijzen.

Particulier of publiek belang; staatssteun?
Reclamanten betogen verder nog dat gelet op de uitbreiding van het recreatiepark sprake zou zijn van een particulier belang, en dat gelet op de overdracht voor een niet-marktconforme prijs sprake zou zijn van staatssteun. De Kroon wijst er echter op dat het inpassingsplan met de uitbreiding van het recreatiepark voorziet in de sociaal-economische ontwikkeling van de krimpregio en dus in het publiek belang van de provincie Zeeland en de gemeente Sluis is. Van staatssteun is volgens de Kroon geen sprake omdat de Euro-commissaris al heeft laten weten dat staatssteun niet aan de orde is omdat de prijsvaststelling wordt bepaald door taxatie door een onafhankelijk deskundige.