Niet indexeren van pensioen: in strijd met goed werkgeverschap?

22 mei 2026

In pensioenregelingen wordt indexatie regelmatig vormgegeven als een discretionaire bevoegdheid van de werkgever ('voorwaardelijke indexatie'). Zeker in tijden van hoge inflatie en oplopende loonontwikkelingen kan het uitblijven van indexatie voor (gewezen) werknemers grote gevolgen hebben voor de waarde van hun pensioen. Dat roept de vraag op hoeveel ruimte een werkgever daadwerkelijk heeft om van indexatie af te zien. In toenemende mate wordt hierover geprocedeerd.

Frédérique Hoppers
Frédérique Hoppers
Advocaat - Partner
In dit artikel

De rechtbank Rotterdam heeft zich op 4 mei 2026 over dit onderwerp uitgesproken. In die zaak beriep de werkgever zich op de discretionaire ruimte binnen de gemaakte indexatieafspraken, maar maakt de kantonrechter duidelijk dat die ruimte niet onbegrensd is: onder omstandigheden kan het niet indexeren van pensioen in strijd zijn met goed werkgeverschap.

De indexatieafspraak

In deze zaak staat een geschil centraal tussen een ondernemingsraad en een werkgever over de indexatie van pensioenen van ex-werknemers, inclusief pensioengerechtigden. De ondernemingsraad treedt in deze procedure op omdat hij belanghebbende is bij de naleving van arbeidsvoorwaardelijke afspraken binnen de onderneming, waaronder afspraken over pensioen. Partijen maakten in 2005 afspraken over de indexatie. Kort gezegd komt het erop neer dat de pensioenen jaarlijks worden verhoogd in lijn met de inflatie, maar niet meer dan de loonstijging van de werknemers. Daarnaast spreken partijen af dat de werkgever de discretionaire bevoegdheid heeft om extra financiering te verstrekken voor aanvullende indexatie van de pensioenen van ex-werknemers.

In de jaren 2021 tot en met 2024 leidt de toepassing van de regeling ertoe dat de pensioenen van de ex-werknemers achterblijven bij de inflatie. Dat komt doordat de loonstijging van de werknemers in die jaren lager ligt dan de inflatie, waardoor ook de pensioenindexatie beperkt blijft. In 2024 vindt zelfs helemaal geen indexatie plaats, terwijl de werknemers in dat jaar juist een forse loonsverhoging krijgen. De ondernemingsraad vindt dat de werkgever in deze situatie gebruik had moeten maken van de discretionaire bevoegdheid om aanvullende financiering beschikbaar te stellen voor extra indexatie. De werkgever stelt zich op het standpunt dat hij daartoe niet verplicht is. Daarmee draait het geschil om de vraag hoeveel ruimte de werkgever daadwerkelijk heeft om van indexatie af te zien.

Discretionaire ruimte van de werkgever versus goed werkgeverschap

De kantonrechter stelt voorop dat het hier weliswaar gaat om een discretionaire bevoegdheid, maar dat die niet zonder meer vrijblijvend is. Doorslaggevend is hoe de indexatieafspraak moet worden uitgelegd. Volgens de kantonrechter hebben partijen niet alleen een formule afgesproken, maar ook de bedoeling gehad om pensioenen van de ex-werknemers zoveel mogelijk mee te laten groeien met de inflatie. De mogelijkheid om extra bij te storten is juist opgenomen om situaties te ondervangen waarin de standaardformule tot een onredelijke uitkomst leidt.

Daarvan is volgens de kantonrechter in deze zaak sprake. In de jaren 2021 tot en met 2023 blijven de loonstijgingen zoals beschreven achter bij de inflatie. Omdat de pensioenindexatie is gemaximeerd op de loonontwikkeling van de werknemers, blijven ook de pensioenen in die jaren achter bij de inflatie. In 2024 ontvangen werknemers vervolgens alsnog een forse loonsverhoging van 7% als compensatie voor de beperkte loonontwikkeling in de jaren daarvoor. De ex-werknemers profiteren daar echter niet van. Voor hen vindt in 2024 juist helemaal geen indexatie plaats, omdat de gehanteerde inflatiemaatstaf in dat jaar negatief uitvalt. Volgens de kantonrechter leidt toepassing van de standaardformule daarmee tot een scheve uitkomst: werknemers worden uiteindelijk wel gecompenseerd voor de achterblijvende koopkracht, terwijl ex-werknemers met die achterstand blijven zitten. Hoewel de werkgever formeel handelt overeenkomstig de afgesproken formule, mocht volgens de kantonrechter in deze omstandigheden van de werkgever worden verwacht dat hij serieus kijkt naar het inzetten van de aanvullende discretionaire bevoegdheid. Door dat niet te doen, en dat nauwelijks te motiveren, handelt de werkgever volgens de kantonrechter in strijd met de gemaakte afspraken en met goed werkgeverschap. Daarmee vindt de discretionaire ruimte haar grens in de redelijkheid en billijkheid.

Betekenis voor de praktijk

Deze uitspraak is opvallend omdat de kantonrechter een discretionaire indexatieafspraak vergaand inkleurt aan de hand van goed werkgeverschap. Formeel handelde de werkgever namelijk overeenkomstig de overeengekomen indexatieformule. Toch oordeelt de kantonrechter dat onder de gegeven omstandigheden van de werkgever mocht worden verwacht dat hij aanvullende financiering beschikbaar stelde voor extra indexatie. Daarmee lijkt de rechter niet alleen gewicht toe te kennen aan de tekst van de afspraak, maar vooral ook aan de achterliggende bedoeling daarvan en de feitelijke uitkomst voor ex-werknemers, waaronder pensioengerechtigden.

Tegelijkertijd roept de uitspraak de vraag op hoe ver goed werkgeverschap mag doorwerken wanneer partijen bewust hebben gekozen voor een discretionaire mogelijkheid tot indexatie. In dat kader past deze uitspraak in een bredere ontwikkeling in de rechtspraak over pensioenindexatie. Zo oordeelde de rechtbank Midden-Nederland eerder in de zaak rond FrieslandCampina eveneens dat een strikte toepassing van de overeengekomen indexatiemaatstaf onder omstandigheden in strijd kan komen met goed werkgeverschap. Tegen die uitspraak loopt momenteel hoger beroep. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd.

Gerelateerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst bij verlopen werkvergunning

Verlopen vergunning van werknemer volgens kantonrechter géén reden voor ontbinding

Op 19 maart 2026 oordeelt de rechtbank Limburg dat de arbeidsovereenkomst van een werknemer met een verlopen verblijfsvergunning (voor arbeid) niet kan worden...

Raad van State kritisch op wetsvoorstel loontransparantie: ambitie botst met uitvoerbaarheid

Op 7 april 2026 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies gepubliceerd over het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn...

Loonverschillen na overgang van onderneming: wat vereist Richtlijn 2023/970?

Het uitgangspunt is helder: werknemers die gelijk of gelijkwaardig werk verrichten, moeten daarvoor gelijk worden beloond, ongeacht hun geslacht. Dat...

Ontslag na overgang onderneming: Hoge Raad verduidelijkt ETO-redenen

In een uitspraak van 6 februari 2026 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de reikwijdte van het opzegverbod bij overgang van onderneming. De Hoge Raad...

De pensioentransitie: praktische tips voor werkgevers

De pensioentransitie is een complex en langdurig traject. Werkgevers moeten niet alleen juridisch correct handelen, maar ook draagvlak creëren bij werknemers...

Stappenplan pensioentransitie: van analyse naar implementatie vóór 2028

De pensioentransitie vraagt om een gestructureerde aanpak. Werkgevers en sociale partners hebben tot 1 januari 2028 de tijd om hun pensioenregelingen in lijn...
No posts found