Zoeken
  1. Niet optreden tegen incidentele verhuur: wanneer mag dit?

Niet optreden tegen incidentele verhuur: wanneer mag dit?

Het verhuren van een regulier / normaal woonhuis als vakantiewoning is niet altijd toegestaan. Om hier als college met succes tegen op te kunnen treden, moet de verhuur in strijd zijn met het bestemmingsplan en moet voldoende duidelijk zijn wanneer er sprake is van méér dan incidentele verhuur.
Artikel | 15 oktober 2018 | Marleen Vermeulen

Het college van de gemeente Apeldoorn heeft aan de eigenaar van een woning een last onder dwangsom opgelegd om de bedrijfsmatige exploitatie van deze woning als vakantiewoning te staken en gestaakt te houden. Het college heeft op basis van informatie van de website www.micazu.nl geoordeeld dat de woning méér dan incidenteel verhuurd wordt als vakantiewoning en dat dit in strijd is met het bestemmingsplan.

Bij de rechtbank liggen de vragen voor wanneer er sprake is van een overtreding en of het college dit voldoende bewezen heeft. De rechtbank volgt de uitleg van het college dat incidenteel verhuren niet ongebruikelijk is en past binnen de bestemming “wonen”, maar dat méér dan incidenteel verhuren niet past binnen de bestemming. Bij méér dan incidenteel verhuren overtreedt de eigenaar dus de planregels. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een overtreding. Voor een overtreding moet er sprake zijn van méér dan incidentele verhuur. Uit de overgelegde stukken blijkt onvoldoende duidelijk in welke frequentie de woning wordt verhuurd.

Strijd met bestemmingsplan

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) oordeelt dat het verhuren van de woning voor recreatieve doeleinden in strijd is met het bestemmingsplan. De Afdeling komt tot dat oordeel omdat in het bestemmingsplan “wonen” en “recreatief verblijf” duidelijk van elkaar onderscheiden wordt. Het gebruik is niet expliciet verboden, maar gezien het duidelijke onderscheid is het verhuren van een woning als vakantiewoning met bestemming “wonen” in strijd met het bestemmingsplan.

Strijd met rechtszekerheid

Anders dan de rechtbank oordeelt de Afdeling dat het college wel aannemelijk heeft gemaakt dat er meerdere overtredingen hebben plaatsgevonden. Het college was dus bevoegd om met een last onder dwangsom op te treden. Het college heeft bij de rechtbank te kennen gegeven niet op te treden tegen incidentele verhuur. Verhuur, in welke frequentie ook, is een overtreding van het bestemmingsplan. Incidentele verhuur wordt volgens het college gedoogd zolang het gebruik de woonbestemming niet aantast. Met deze uitleg kan het college de opgelegde last niet redden. De Afdeling oordeelt dat de last in strijd is met de rechtszekerheid, omdat het college in de last niet heeft aangegeven wanneer er sprake is van incidentele verhuur. Evenmin heeft het college beleid waaruit volgt wanneer verhuur nog incidenteel is en onder welke omstandigheden dit wordt gedoogd. Het college wordt dan ook opgedragen een nieuw besluit te nemen en in beleid of in de last zelf concreet te maken wanneer er sprake is van incidentele verhuur en wanneer de verhuur als méér dan incidenteel aangemerkt wordt.

Commentaar

Het niet optreden tegen incidentele overtredingen is niet vreemd. De beginselplicht tot handhaven verplicht een bestuursorgaan in beginsel op te treden tegen een overtreding van een wettelijk voorschrift. Van handhavend optreden kan worden afgezien indien het optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Voorbeelden uit de rechtspraak waarin handhavend optreden als onevenredig wordt aangemerkt, houden onder meer verband met kleine of incidentele overtredingen. Uit de hierboven besproken uitspraak volgt dat als het college hiertegen niet wenst op te treden in het kader van de rechtszekerheid wel duidelijk moet zijn wanneer een overtreding slechts incidenteel is. De les voor de praktijk is dat dit uit handhavingsbeleid moet volgen of uit de last zelf.

Heeft u vragen over handhaving? Neem contact op met Marleen Vermeulen.