Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Nieuwe Europese Richtlijnen voor de consumentenkoop en levering van digitale inhoud en diensten

Nieuwe Europese Richtlijnen voor de consumentenkoop en levering van digitale inhoud en diensten

Een gemeenschappelijk Europees kooprecht kon tot nu toe nog niet gerealiseerd worden, maar de Europese wetgever heeft in juni 2019 twee Richtlijnen gecreëerd die dit doel dichterbij moeten brengen.
Auteur artikelSusanne Hermsen-Pfeiffer
Gepubliceerd18 oktober 2019
Laatst gewijzigd18 oktober 2019
Leestijd 

Richtlijn 2019/771 ziet op consumentenkoop en Richtlijn 2019/770 ziet op de levering van digitale inhoud en diensten. Beide Richtlijnen zullen op 1 juli 2021 door de lidstaten moeten zijn omgezet naar het nationale recht, zodat deze regels per 1 januari 2022 ook daadwerkelijk in werking kunnen treden en van toepassing kunnen zijn op de vanaf dat moment gesloten overeenkomsten.

De Richtlijnen gaan beide uit van maximumharmonisatie wat zoveel wil zeggen als dat de lidstaten niet mogen afwijken van de vereisten uit de Richtlijnen. Er is echter een aantal punten waarbij de lidstaten meer bescherming mogen bieden dan de Richtlijnen voorschrijven. Hiermee onderscheiden ze zich van de Richtlijn voor de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, omdat in deze Richtlijn slechts minimumharmonisatie werd beoogd. De focus van de Richtlijnen ligt op overeenkomsten tussen een professionele verkoper en een consument die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. De Richtlijnen sluiten in het algemeen goed bij elkaar aan en vullen elkaar daarenboven aan, om op deze manier zo veel mogelijk gelijkluidende regels op te stellen.

Gepoogd wordt aldus om een uniform stelsel te creëren voor de online en offline koop van goederen. Dit is voor de Duitse wetgever ook nieuw terrein, aangezien er voorafgaand aan deze Richtlijnen geen aparte regelgeving bestond voor de online koop van goederen.

Vernieuwingen van de Richtlijnen

De Richtlijnen brengen enkele vernieuwingen met zich mee. De eerste vernieuwing ziet op het non-conformiteitsbegrip. Tot de creatie van de Richtlijn gold de hoofdregel dat de goederen ten tijde van de risico-overgang de eigenschappen dienden te bezitten die overeengekomen waren. Na inwerkingtreding en omzetting van de Richtlijn dienen goederen, ook zonder dat dit nadrukkelijk overeengekomen is, te voldoen aan hetgeen bij vergelijkbare goederen normaal is en hetgeen derhalve door de gebruiker redelijkerwijs verwacht kan worden; de zogenoemde objectieve conformiteit.

Voor digitale inhoud en diensten wordt deze verplichting nog uitgebreid, doordat de verkoper de inhoud door het uitvoeren van updates actueel moet houden. In de toekomst is de verkoper dus verplicht om zowel bij een softwarekoop als ook bij een softwareabonnement de noodzakelijke updates door te voeren. Dit is slechts noodzakelijk voor zover de overeenkomst dit vereist.

Een andere vernieuwing ziet ook op de non-conformiteit, maar meer specifiek op de bewijslast van een gebrek. Er vindt een omkering van de bewijslast plaats als het gebrek zich binnen één jaar na de aankoop manifesteert; er geldt het vermoeden dat het gebrek reeds aanwezig was ten tijde van de koop. Het is aan de verkoper om het tegendeel te bewijzen. Voorafgaand aan de Richtlijn gold hiervoor een termijn van 6 maanden. Er is echter wel een uitzondering gemaakt voor goederen met digitale elementen. Hier geldt de bewijslastomkering voor de gehele contractduur.

Een laatste vernieuwing ziet op de contractuele vorm die op grond van de Richtlijn vereist is voor contracten die zien op digitale inhoud en dienstverlening. Naar Duits recht werden deze contracten al naar gelang het toepasselijke overeenkomsttype gevormd in overeenstemming met de voor dat type overeenkomst geldende regels. Bovendien is interessant dat met betrekking tot digitale inhoud en dienstverlening, betaling door middel van het verstrekken van persoonsgegevens ook geaccepteerd wordt als tegenprestatie, mits de verkoper een commercieel doel nastreeft met deze persoonsgegevens.

Garantiebepaling

Met betrekking tot de garantie geldt dat deze twee fasen kent. Bij non-conformiteit zal allereerst herstel of vervanging van het gebrekkige product verzocht moeten worden, alvorens men een prijsvermindering of schadevergoeding verzoekt óf alvorens men in het uiterste geval zelfs de overeenkomst ontbindt. Deze garantiebepaling levert naar Duits recht geen vernieuwing op, daar de huidige Duitse wetgeving dit op vergelijkebare wijze regelt en er bovendien geen verschil is tussen de online en offline koop van goederen.

De achterliggende gedachte is echter dat men op deze manier een soort volgorde creëert in de mogelijke remedies bij non-conformiteit, waardoor consumenten geen vrije keuze gelaten wordt in hun keuze voor een remedie bij non-conformiteit bij zowel online als offline koop. De garantietermijn bij non-conformiteit is gesteld op twee jaar. Ook hier geldt de uitzondering voor goederen met digitale elementen. Bovendien geldt een uitzondering voor tweedehands goederen. Men mag bij dit type goederen afspreken dat de garantieperiode korter duurt, hoewel deze periode niet korter mag duren dan één jaar.

Conclusie

De nieuwe Europese Richtlijnen behelzen op het eerste gezicht weinig nieuws onder de “Duitse consumentenkoop zon”. De grondslagen van het Duitse garantierecht zullen niet ingrijpend veranderd worden. Dit geldt ook voor de digitale inhoud. De belangrijkste wijzigingen moeten gevonden worden in de omkering van de bewijslast die door de Richtlijn geldt tot en met één jaar na de aankoop én de verplichte software-updates. Voor de terbeschikkingstelling van digitale inhoud is ook een vernieuwing ten opzichte van het bestaande recht zichtbaar, omdat een uniforme, op het consumentenkooprecht lijkende, garantieregeling zal gaan gelden en bovendien de actieve terbeschikkingstelling van data door de consument als tegenprestatie geaccepteerd wordt. Van grote betekenis is tot slot dat diverse regelingen voor diverse interpretaties vatbaar zijn. Uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie zullen in de toekomst uitsluitsel moeten bieden bij interpretatiediscussies.