Zoeken
  1. Omdat doden geen vakantie opnemen

Omdat doden geen vakantie opnemen

In november van dit jaar heeft het Europees Hof op verzoek van de hoogste Duitse arbeidsrechter opnieuw bepaald dat het wettelijke vakantietegoed van een werknemer niet verloren gaat bij diens overlijden. De erfgenamen kunnen juist aanspraak maken op het recht op vereffening dat bij het overlijden van de werknemer ontstaat.
Artikel | 03 januari 2019 | Elena Patschkowski

Reden voor een kort overzicht van het Duitse vakantierecht

In november van dit jaar heeft het Europees Hof op verzoek van de hoogste Duitse arbeidsrechter opnieuw bepaald dat het wettelijke vakantietegoed van een werknemer niet verloren gaat bij diens overlijden. De erfgenamen kunnen juist aanspraak maken op het recht op vereffening dat bij het overlijden van de werknemer ontstaat.

Deze beslissing is gebaseerd op artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG, waarin wordt geregeld dat elke werknemer recht heeft op een minimumaantal betaalde vakantiedagen (jaarlijkse vakantie met behoud van loon). Wanneer het dienstverband beëindigd wordt voordat de werknemer dit minimumaantal betaalde vakantiedagen heeft kunnen opnemen, kan hij aanspraak maken op vergoeding. Deze richtlijn is ook in Duitsland omgezet in nationaal recht. Wanneer de werknemer overlijdt, is er eveneens sprake van beëindiging van het dienstverband.

Ook wanneer – zoals het HvJ-EU terecht vastgesteld heeft – het met de vakantiedagen beoogde doel in het geval van een overledene niet meer verwezenlijkt kan worden, blijft de financiële component ook na het overlijden van de werknemer bestaan. Het recht op vakantiedagen heeft volgens het HvJ-EU niet alleen het doel de werknemer de gelegenheid te bieden te herstellen van het werk en rust te nemen, maar het heeft ook een financiële component. De vergoedingsaanspraak als zuiver financiële aanspraak is volgens het HvJ-EU ook overerfbaar. Indien nationaal erfrecht iets anders bepaalt, heeft EU-recht voorrang.

Dit betekent dat zowel publieke als particuliere werkgevers niet-opgenomen vakantiedagen bij beëindiging van het dienstverband door overlijden van de werknemer moeten vergoeden.

Deze beslissing is alleen relevant voor het in de richtlijn geregelde wettelijke minimumaantal vakantiedagen. Volgens Duits recht moet onderscheid worden gemaakt tussen het wettelijke minimumverlof van 24 dagen op basis van een zesdaagse werkweek en de bovenwettelijke vakantiedagen die gebruikelijkerwijs toegekend worden.

Volgens de jurisprudentie van het Bundesarbeitsgericht kunnen de partijen in principe zelf afspraken maken over de bovenwettelijke vakantiedagen. Hiervoor is het noodzakelijk dat in de arbeidsovereenkomst een afwijkende regeling is opgenomen. Voor het overige geldt voor de bovenwettelijke vakantiedagen hetzelfde als voor het wettelijke minimumaantal vakantiedagen. Dit is niet alleen van belang voor de vergoeding van niet-opgenomen vakantiedagen maar ook met betrekking tot het vervallen van niet-opgenomen vakantiedagen.

Want zoals uitgelegd, dienen niet-opgenomen wettelijke vakantiedagen bij beëindiging van het dienstverband te worden vergoed. Bovendien vervallen vakantiedagen die meegenomen worden naar het volgende jaar, niet na drie maanden wanneer de vakantiedagen vanwege ziekte van de werknemer niet konden worden opgenomen. In een dergelijk geval vervalt het vakantietegoed pas 15 maanden na het verstrijken van het vakantiejaar.

Teneinde deze wettelijke gevolgen met betrekking tot aanvullende contractueel geregelde aanspraken te voorkomen, is het noodzakelijk passende regelingen op te nemen in de arbeidsovereenkomst.