Zoeken
  1. Openbaarmaking financiële gegevens terecht geweigerd

Openbaarmaking financiële gegevens terecht geweigerd

Op 16 december 2010 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan over de vraag in hoeverre de gemeente de openbaarmaking van financiële gegevens mocht weigeren. Het beroep had uitsluitend nog betrekking op de afwijzing van openbaarmaking van financiële gegevens vervat in een tweetal taxatierapporten Inbrengwaarde Kavels, een derde taxatierapport, een exploitatieraming en twee overeenkomsten. De gemeente had openbaarmaking geweigerd met een beroep op de uitzonderingsgronden van art. 10 tweede...
Auteur artikelHanna Zeilmaker
Gepubliceerd20 december 2010
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Op 16 december 2010 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan over de vraag in hoeverre de gemeente de openbaarmaking van financiële gegevens mocht weigeren.
Het beroep had uitsluitend nog betrekking op de afwijzing van openbaarmaking van financiële gegevens vervat in een tweetal taxatierapporten Inbrengwaarde Kavels, een derde taxatierapport, een exploitatieraming en twee overeenkomsten. De gemeente had openbaarmaking geweigerd met een beroep op de uitzonderingsgronden van art. 10 tweede lid, aanhef en onder b en g van de Wob.
De uitzonderingsgrond b van artikel 10 lid 2 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ziet op de economische of financiële belangen van de overheid. De uitzonderingsgrond g ziet op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van openbaarheid geen onderscheid kan worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de belangenafweging worden dus uitsluitend tegen elkaar afgewogen het algemene belang bij openbaarmaking en de weigeringsgronden waarop de overheid zich beroept.
Als reden voor de gemeente om de passages met financiële gegevens onleesbaar te maken vermeldt het vonnis dat de financiële gegevens inzicht verschaffen in de exploitatieopbrengsten en - kosten welke worden verdisconteerd in de verkoopprijzen voor de gemeentelijke en, eventueel, de particuliere kavels. Openbaarmaking van de gegevens zouden derden in staat stellen in toekomstige gevallen hun onderhandelingspositie hierop af te stemmen. Hierdoor zal realisatie van toekomstige woningbouw tegen voor de gemeente en de grondeigenaren gunstige voorwaarden in gevaar kunnen komen. De onderhandelingspositie van de gemeente, en eventueel, de grondeigenaren komt onder druk te staan, indien derden inzicht wordt geboden in de financiële voorwaarden waaronder de gemeente en de grondeigenaren zich bereid hebben getoond om woningbouw te realiseren. Voor de exploitatieraming geldt bovendien dat het rapport detailinformatie bevat over normprijzen die voor anderen bij aanbestedingen van nut kunnen zijn bij het berekenen van de te offreren aanneemsom.

De rechtbank was van oordeel dat de gemeente daarmee goed heeft gemotiveerd dat openbaarmaking van de financiële gegevens de economische of financiële belangen van de gemeente zal schaden of kan leiden tot een onevenredige benadeling van de gemeente of betrokken particulieren of tot onevenredige bevoordeling van derden.

Uit deze uitspraak blijkt dat de gemeente in de regel niet gehouden zal zijn om al te gedetailleerde gegevens over de grondexploitatie te verschaffen. De concrete inbrengwaarden per perceel hoeven dus niet openbaar te worden gemaakt, net zo min als gegevens die voor potentiële inschrijvers op een toekomstige aanbesteding van nut zijn.
Het is de vraag hoe deze – naar ons oordeel juiste – benadering zich verhoudt met de gedragslijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stemt in beroepsprocedures tegen exploitatieplannen niet in met beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb van stukken als het taxatierapport waarin de geraamde inbrengwaarden per perceel zijn vermeld. De Afdeling overweegt daaromtrent dat deze stukken door de raad zijn gebruikt bij de vaststelling van het exploitatieplan voor de raming van de hoogte van de kosten en opbrengsten, in het bijzonder de inbrengwaarden, en dat de vaststelling van een exploitatieplan een besluit is waartegen beroep kan worden ingesteld. De Afdeling acht het belang van grondeigenaren bij de mogelijkheid een beroep tegen het exploitatieplan te onderbouwen vanwege hun daarmee gemoeide financiële belangen in zijn algemeenheid groter dan het financiële belang van de gemeente dat is gediend met beperking van de kennisneming van deze stukken.


Naar ons oordeel zou de gedragslijn van de Afdeling moeten worden bijgesteld, omdat deze het oordeel van de wetgever (parlementaire geschiedenis Wro en Bro) doorkruist dat het verstrekken van informatie in het concrete geval achterwege kan worden gelaten voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van het betreffende bestuursorgaan en dat per geval moeten worden beoordeeld of de geheimhouding van de financiële gegevens uit het exploitatieplan gerechtvaardigd is.