1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Ouder weigert coronavaccinatie minderjarige: toch vaccinatie mogelijk?

Ouder weigert coronavaccinatie minderjarige: toch vaccinatie mogelijk?

In haar uitspraak van 21 september jl. heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld over de vraag of vervangende toestemming kan worden verleend aan een minderjarige om gevaccineerd te worden tegen het coronavirus. De rechtbank verleent die vervangende toestemming. In dit blog bespreken wij deze uitspraak en de implicaties van artikel 7:450 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voor hulpverleners.
Leestijd 
Auteur artikel Milou Janssen
Gepubliceerd 22 oktober 2021
Laatst gewijzigd 22 oktober 2021
 

Relevante feiten en omstandigheden

De casus waar het in deze uitspraak om gaat betreft een 12-jarige jongen die wil worden gevaccineerd tegen de risico’s van het coronavirus. Zijn gescheiden ouders zijn het oneens over de noodzaak van een vaccinatie.

De primaire reden waarom de minderjarige wil worden gevaccineerd is dat hij graag tijd met zijn oma wil doorbrengen, maar vreest dat hij haar zonder vaccinatie zal besmetten. Hij is ervan overtuigd dat een besmetting met het virus voor zijn oma, die lijdt aan longkanker en in de laatste fase van haar leven is beland, levensbedreigend zal zijn.

De minderjarige krijgt van zijn moeder toestemming voor een vaccinatie. Zijn vader geeft deze toestemming niet en verzet zich daarnaast ook tegen het testen naar aanleiding van klachten die kunnen wijzen op het coronavirus. De vader meent dat de kans dat de minderjarige zelf corona oploopt en/of ernstig ziek wordt ten gevolge hiervan, niet opweegt tegen de mogelijke negatieve gevolgen van een vaccinatie. Tegen deze achtergrond heeft de minderjarige aan de rechter vervangende toestemming gevraagd voor vaccinatie.

Beoordeling en motivering van de rechtbank

De rechter overweegt dat het geschil over de vaccinatie betrekking heeft op de zorg voor de lichamelijke gezondheid van de minderjarige. Deze zorg valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen. Om die reden kwalificeert het geschil als een geschil over de uitoefening van het ouderlijk gezag in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van dit artikel neemt de rechtbank – indien de ouders het niet eens kunnen worden – een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De rechter benadrukt dat de minderjarige wel degelijk corona kan krijgen en dat hij – hoewel dit bij kinderen minder vaak voorkomt – net zo goed ernstig ziek kan worden en ook langdurig de gevolgen van die ziekte kan ervaren (Long COVID). Daarnaast is het risico dat de minderjarige anderen besmet beduidend groter als hij niet wordt gevaccineerd.

Vervolgens overweegt de rechter dat er weliswaar een risico op ernstige bijwerkingen bestaat, maar dat dit risico klein is. Ook kunnen deze bijwerkingen goed worden herkend en behandeld. Verder bestaat er geen feitelijke grondslag voor de door de vader aangevoerde langetermijnrisico's. De Gezondheidsraad heeft alle denkbare risico’s in haar afweging meegenomen voordat zij adviseerde om kinderen van 12 tot 18 jaar de mogelijkheid te bieden om zich te laten vaccineren, aldus de rechtbank.

De rechter verleent gelet op het voorgaande vervangende toestemming aan de minderjarige om zich te laten vaccineren. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat het belang van de minderjarige om zich op korte termijn te laten vaccineren naar het oordeel van de rechtbank zwaarder weegt dan het belang dat wordt gediend met een schorsing of herbeoordeling van de beslissing.

Beschouwing

Zoals hierboven uiteengezet, is er in dit geval voor gekozen om vervangende toestemming te vragen aan de rechter in de zin van artikel 1:253a BW. In de gegeven context had de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Afdeling 5 van Titel 7 van Boek 7 BW, de ‘Wgbo’) mogelijk ook soelaas kunnen bieden. Het toedienen van een vaccin kwalificeert namelijk als een zogeheten ‘geneeskundige handeling’ in de zin van de Wgbo. Daarover nu meer.

Ingevolge artikel 7:450 lid 1 BW is voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst toestemming van de patiënt vereist. Als de patiënt onder de leeftijdscategorie van 12 tot 16-jarigen valt, is op grond van artikel 7:450 lid 2, 1e volzin tevens de toestemming van de ouder(s) die het gezag over hem uitoefent/uitoefenen of van zijn voogd vereist. Ingevolge artikel 7:450 lid 2, 2e volzin kan de behandeling – ondanks het ontbreken van toestemming van de ouder(s) of de voogd – in twee situaties tóch worden uitgevoerd:

  1. indien de geneeskundige behandeling kennelijk noodzakelijk is om ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen; óf
  2. indien de minderjarige de geneeskundige behandeling ook na de weigering van de toestemming weloverwogen blijft wensen.

Wij kunnen ons voorstellen dat een hulpverlener van mening zou kunnen zijn dat het vaccineren van een minderjarige tegen het coronavirus kennelijk noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen (uitzondering 1), namelijk het voorkomen van (ernstige) ziekte door besmetting met het coronavirus en in het verlengde daarvan het voorkomen van langdurige gevolgen als gevolg van die besmetting (Long COVID). Voor zover ons bekend, zijn specifiek over coronavaccinaties en de toepassing van de uitzonderingen van artikel 7:450 lid 2 BW nog geen rechterlijke uitspraken gewezen. Het is daarom lastig te zeggen of het standpunt dat vaccinatie kennelijk noodzakelijk is om ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen in rechte zal standhouden, mede omdat het begrip ‘ernstig nadeel’ volgens de wetgever strikt moet worden uitgelegd.

In de hierboven besproken casus had uitzondering 2 mogelijk uitkomst kunnen bieden. Ook hier geldt dat ons geen rechtspraak bekend is waarin de rechter het geoorloofd acht dat een coronavaccinatie wordt toegediend omdat de minderjarige de vaccinatie weloverwogen blijft wensen. Uit het feitenverloop in deze casus lijkt te volgen dat de minderjarige het krijgen van een vaccinatie – ook na de weigering van de vader – weloverwogen bleef wensen. Als deze uitzondering van toepassing is, kan de hulpverlener de weigering van de ouder(s) of voogd terzijde schuiven als de verrichting in het belang is van de minderjarige. Voor hulpverleners is het echter wel een complexe taak om bij uiteenlopende wensen van de ouder(s) of voogd en de minderjarige te beoordelen of een coronavaccinatie mag worden toegediend.

De wetgever merkt ten aanzien van artikel 7:450 lid 2 BW nog op dat de hulpverlener er onder omstandigheden goed aan zal doen om het met de ouder(s) of de voogd gevoerde overleg schriftelijk vast te leggen (Kamerstukken II 1989/90, 21 561, 3, p. 32-33). Ook acht de wetgever het nuttig om de minderjarige zelf op schrift te doen verklaren dat en waarom hij, ondanks de weigering, tóch de verrichting (in dit geval de vaccinatie) wil. Die verklaring wordt dan aan het medisch dossier van de minderjarige toegevoegd. Indien een collegiaal oordeel wordt ingewonnen door de hulpverlener, moet dit ook in het dossier worden opgenomen.

Tot slot

Al met al zijn er verschillende manieren voor een minderjarige van 12 tot 16 jaar om een coronavaccinatie te krijgen als de ouder(s) of voogd hiervoor geen toestemming geeft/geven. In dit geval is ervoor gekozen om vervangende toestemming te vragen aan de rechter in de zin van artikel 1:253a BW. Ook kunt u als hulpverlener te maken krijgen met de situatie waarin een minderjarige wil worden gevaccineerd maar toestemming van de ouder(s) of de voogd ontbreekt. In dat geval biedt artikel 7:450 lid 2 BW mogelijk uitkomst.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen, bijvoorbeeld over de reikwijdte van artikel 7:450 BW? Neem dan gerust contact op met Milou Janssen of Mare Swelsen.