Zoeken
  1. Pachter beroept zich tevergeefs op dwaling en misbruik van omstandigheden bij pachtontbindingsovereenkomst

Pachter beroept zich tevergeefs op dwaling en misbruik van omstandigheden bij pachtontbindingsovereenkomst

Een pachter die zich jaren na het sluiten van een pachtontbindingsovereenkomst beroept op misbruik van omstandigheden en dwaling en zo de pachtontbindingsovereenkomst wil laten vernietigen, krijgt geen gelijk van de pachtkamer van de rechtbank en het hof. De voorliggende casusDe pachter is sinds de jaren tachtig pachter van een aantal percelen grasland. In 1995 wordt deze pachtverhouding schriftelijk vastgelegd en wordt een pachtovereenkomst voor de duur van zes jaar aangegaan, eindigend op 3...
Artikel | 04 december 2012 | Dirkzwager
Een pachter die zich jaren na het sluiten van een pachtontbindingsovereenkomst beroept op misbruik van omstandigheden en dwaling en zo de pachtontbindingsovereenkomst wil laten vernietigen, krijgt geen gelijk van de pachtkamer van de rechtbank en het hof.

De voorliggende casus
De pachter is sinds de jaren tachtig pachter van een aantal percelen grasland. In 1995 wordt deze pachtverhouding schriftelijk vastgelegd en wordt een pachtovereenkomst voor de duur van zes jaar aangegaan, eindigend op 31 december 2000.

Medio 2001 sluiten pachter en verpachter een pachtontbindingsovereenkomst waarbij wordt afgesproken dat pachter afstand doet van alle rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de pachtovereenkomst welke in 1995 op schrift is gesteld. Vervolgens komen partijen achtereenvolgend vier keer een schriftelijke pachtovereenkomst voor twee jaar overeen (eenmalige overeenkomst) en daarna een geliberaliseerde pachtovereenkomst al bedoeld in artikel 7:397 lid 1 BW voor één jaar.

Eind 2009 heeft verpachter aan pachter laten weten per 1 januari 2010 geen land meer aan hem te verpachten. De reden hiervoor is dat pachter jarenlang niet heeft voldaan aan de pachtvoorschriften.

In april 2010 maakt de pachter bezwaar tegen de beëindiging van de  pachtovereenkomst door verpachter. In de brief van maart 2011 wordt de pachtontbindingsovereenkomst van medio 2001 door pachter wegens misbruik van omstandigheden en dwaling buitengerechtelijk vernietigd.

Pachter vordert in deze procedure door middel van een verklaring voor recht dat de pachtovereenkomst van voor de ontbindingsovereenkomst herleeft.

Geen dwaling
Aan zijn vordering voor dwaling legt pachter ten grondslag dat hij nooit tot ondertekening van de overeenkomst was overgaan als hem duidelijk was geweest dat er vervolgens alleen nog maar kortdurende pachtovereenkomsten werden aangeboden. Volgens pachter was hij akkoord gegaan met de pachtontbindingsovereenkomst omdat hem was meegedeeld dat er een nieuwe langdurige pachtovereenkomst zou worden gesloten.

Pachter beroept zich dus op het niet-nakomen dan de door partijen gemaakte afspraken bij gelegenheid van de pachtbeëindiging. De vordering van pachter, vernietiging wegens dwaling, sluit hierop niet aan. Pachter beroept zich immers op wilsgebreken en niet op niet-nakoming. Omdat de niet-nakoming van de gemaakte afspraken medio 2001 nog geheel in de toekomst lag, staat dit een beroep op dwaling in de weg. Artikel 6:228 lid 2 BW bepaalt immers dat een vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die uitsluitend een toekomstige omstandigheid betreft. Het hof oordeelt dat hierop het beroep op dwaling afstuit.

Of hieruit kan worden afgeleid dat, indien pachter had kunnen bewijzen dat er door verpachter wel andere toezeggingen waren gedaan en pachter zijn vordering op niet-nakoming had gebaseerd, de rechter tot een ander oordeel was gekomen, valt te betwijfelen. Immers, pachter is gedurende negen jaar telkens wel akkoord gegaan met kortdurende overeenkomsten, hetgeen doet veronderstellen dat partijen nadien tot andere afspraken zijn gekomen.

Geen misbruik van omstandigheden
Aan zijn vordering voor misbruik van omstandigheden legt de pachter, naast hetgeen hij aan zijn beroep op dwaling ten grondslag heeft gelegd, ook ten grondslag dat hij ten opzichte van verpachter in een afhankelijke positie verkeerde, mede omdat hij voor zijn bedrijfsvoering voor een belangrijk deel afhankelijk was (en is) van de percelen van verpachter.

Van misbruik van omstandigheden is sprake indien de verpachter de totstandkoming van de pachtbeëindigingsovereenkomst in verband met bijzondere omstandigheden niet had mogen bevorderen. Pachter is van mening dat nu verpachter hem er niet op had gewezen om een deskundige in te schakelen en voorts pachter niet op de mogelijke nadelige gevolgen van het sluiten van kortdurende pachtovereenkomsten heeft gewezen, van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is geweest.

Echt concrete feiten worden niet door pachter gesteld, hetgeen maakt dat niet geoordeeld kan worden dat sprake is van misbruik van omstandigheden.