Zoeken
  1. Passieve risicoaanvaarding bij planschade

Passieve risicoaanvaarding bij planschade

De erfpachters van acht percelen in Den Haag hebben verzocht om vergoeding van planschade die het gevolg is van het op 15 december 2009 in werking getreden en op 21 april 2010 onherroepelijk geworden bestemmingsplan "Bezuidenhoutseweg 30 t/m 216". Aan het verzoek hebben zij ten grondslag gelegd dat de bouwmogelijkheden op hun percelen zijn beperkt, waardoor zij planologisch nadeel, in de vorm van vermogens- en inkomensschade lijden. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht is uitgegaan van passieve risicoaanvaarding door geen poging te ondernemen de bestaande bouwmogelijkheden te benutten.
Auteur artikelHanna Zeilmaker
Gepubliceerd26 april 2018
Laatst gewijzigd26 april 2018
Leestijd 

Panvergelijking en medewerking gemeente op grond van erfpachtvoorwaarden
De Afdeling vindt het standpunt van het college niet juist, dat de onder het voorheen geldende planologische regime bestaande bouwmogelijkheden niet tot het vermogen van de erfpachters behoren omdat voor het benutten daarvan medewerking van het college nodig is. Het vereiste van en de onzekerheid over medewerking van het college op grond van de erfpachtvoorwaarden aan een verzoek van de erfpachters om de bouwmogelijkheden te benutten, doet er niet aan af dat bij de planvergelijking moet worden uitgegaan van hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime gerealiseerd kan worden. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid valt uit te sluiten dat zij onder het oude planologische regime elke medewerking aan verzoeken tot wijziging van de lopende rechten zou hebben geweigerd.


Passieve risicoaanvaarding en medewerking van de gemeente
Voor passieve risicoaanvaarding is voldoende dat de voortekenen van de nadelige planologische verandering al enige tijd zichtbaar waren. Het voorontwerp voor het nieuwe bestemmingsplan heeft tot 7 mei 2008 ter inzage heeft gelegen en de erfpachters waren daarvan op de hoogte.   Niet is in geschil dat zij tussen mei 2008 en de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan op 13 maart 2009 geen pogingen hebben ondernomen om de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden onder het oude regime volledig te benutten.


De vraag is vervolgens of van de erfpachters kon worden verlangd dat zij pogingen zouden ondernemen om de onder het voorheen geldende planologische regime bestaande bouwmogelijkheden te benutten. Dat de erfpachters voor het verbouwen of het slopen van de panden toestemming van de gemeente in haar hoedanigheid van erfverpachter nodig zou zijn, is in ieder geval geen rechtvaardiging voor stilzitten, omdat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de gemeente die medewerking niet zou hebben verleend.


Ook de argumenten van erfpachters dat zij niet over de financiële middelen beschikten om de voor het volledig benutten van de onder het voorheen geldende planologische regime bestaande bouwmogelijkheden vereiste substantiële investeringen te doen, en dat het nog maar onzeker was of zij die investering binnen een aanvaardbare termijn zouden kunnen terugverdienen, vormen ook onvoldoende grond voor het oordeel dat van hen niet kon worden verwacht dat zij een bouwplan zouden opstellen en indienen. Daarbij is van belang dat de erfpachters hun argumenten niet aan de hand van stukken hebben onderbouwd.


De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat van de erfpachters in redelijkheid kon worden verlangd dat zij concrete pogingen zouden hebben ondernomen om de bouwmogelijkheden op hun percelen volledig te benutten.