1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. PensioenPost #1 – Reparatierondje nog noodzakelijk of is de Wtp voldoende dichtgetimmerd?

PensioenPost #1 – Reparatierondje nog noodzakelijk of is de Wtp voldoende dichtgetimmerd?

Op 17 januari 2024 vond het plenaire debat plaats over de stand van zaken van de Wet toekomst pensioenen.
Leestijd 
Auteur artikel Frédérique Hoppers
Gepubliceerd 25 januari 2024
Laatst gewijzigd 25 januari 2024

Ondanks de brede steun in 2022, met 93 van de 150 Kamerleden die instemden met de nieuwe Pensioenwet, zijn door de verkiezingen in november nog maar 71 voorstanders over. De beoogde coalitiepartners, waaronder PVV, BBB en NSC, uiten tijdens het debat uiteenlopende bezwaren tegen de instemmings- en handelingsmogelijkheden voor deelnemers met betrekking tot het afgesproken nieuwe pensioenstelsel. De VVD, die al langer voorstander is van het nieuwe stelsel, toont weinig enthousiasme voor de verschillende voorstellen. Minister Schouten benadrukt haar verantwoordelijkheid voor een ordentelijke transitie en uitvoering en geeft aan geen nieuwe onderzoeken naar het pensioenstelsel of alternatieven voor invaren te willen. Schouten zal de motie van Joseph omtrent het onderzoek van ingroeimogelijkheden niet uitvoeren, gezien de uitvoerige discussies en zorgvuldige wetgeving, en ontraadt deze vanwege de strakke planning rondom implementatie en invaren.

Wanneer wordt uitgegaan van de Wtp als gegeven, de wet is immers al aangenomen en in werking getreden, welke reparatie zou dan bijvoorbeeld wel nog gewenst of misschien zelfs noodzakelijk zijn?

1. Arbeidsongeschiktheidspensioen

Voor ons met stip op 1.: het arbeidsongeschiktheidspensioen! Het is nu qua overgangsrecht zo geregeld dat arbeidsongeschikte deelnemers straks echt tussen wal en het schip dreigen te raken. Of dat werkgevers de transitie niet kunnen of durven te maken, omdat ze anders tegen dekkingsproblematieken van arbeidsongeschikte deelnemers aanlopen. Volstrekt ongewenst. Ook Schouten onderkent deze problematiek en heeft onlangs nog in een Planningsbrief laten weten dat zij samen met de sector, de Belastingdienst en het ministerie van Financiën aan het kijken naar passende maatregelen met betrekking tot het verruimde overgangsrecht. Volgens mij is de enige oplossing echter een aanpassing van de wet, zie ook een eerdere bijdrage in Pensioen & Praktijk hierover. 

2. Wezenpensioen en vrijwillige voortzetting

In artikel 61a van de gewijzigde Pensioenwet wordt de mogelijkheid geboden tot uitruil: het spaarpotje aan ouderdomspensioen wordt aangewend voor dekking van het partnerpensioen na uitdiensttreding en na ommekomst van de WW-periode. In een eerdere bijdrage op ons kennisportal noemden wij niet te begrijpen waarom die dekking beperkt wordt tot partnerpensioen en zich daarmee niet uitstrekt tot wezenpensioen. Iedere rechtvaardiging lijkt hiervoor te ontbreken, terwijl de gevolgen voor wezen groot kunnen zijn.

3. Partnerpensioen en vrijwillige voortzetting

In artikel 61a van de gewijzigde Pensioenwet gaat nog een ander punt van zorg schuil. In de Memorie van toelichting bij dit wetsartikel wordt aangegeven dat het tijdens de uitloopperiode verzekerde bedrag voor het partnerpensioen niet méér mag zijn dan wat in de pensioenregeling is toegezegd, maar ook niet minder. Dat betekent dat het bedrag voor het partnerpensioen op voorhand vaststaat. Deze situatie brengt echter risico’s met zich mee, omdat de deelnemer in de praktijk geen mogelijkheid lijkt te hebben om zich voor een lager bedrag te verzekeren, bijvoorbeeld omdat de deelnemer niet met een te laag ouderdomspensioen geconfronteerd wil worden. Kortom, het vaststaande verzekerde bedrag kan leiden tot beperkingen voor de deelnemer, aangezien deze geen flexibiliteit heeft om de hoogte van het partnerpensioen en de risicopremie aan te passen aan zijn specifieke behoeften en omstandigheden welke in de loop der tijd kunnen veranderen.

Daarnaast leidt de voornoemde uitruilmogelijkheid ook tot de nodige onzekerheid in relatie tot de omvang van de ouderdomspensioen. Zoals aangegeven, vindt de bekostiging van de vrijwillige voortzetting plaats door onttrekking uit het spaarpotje aan ouderdomspensioen. In feite betekent dit een verkoop in beleggingseenheden. In economisch slecht weer daalt de waarde van de beleggingen waardoor er meer eenheden van het ouderdomspensioen moeten worden verkocht om de risicopremie te betalen. Dit kan resulteren in aanzienlijke verliezen van het ouderdomspensioen die lastig te compenseren zijn, zelfs als de waarde beleggingen in de toekomst stijgt. Een terugruil van opgebouwd partnerpensioen naar ouderdomspensioen is namelijk niet mogelijk, omdat het partnerpensioen op risicobasis is. Het lijkt daarom misschien verstandiger om deelnemers de keuze te geven om de risicopremie (deels) uit eigen middelen te financieren zodat het potje voor later niet zo in waarde kan dalen.

4. Fusieregels pensioen

Ook de fusieregels over pensioen en de Wtp lijken nog onvoldoende op elkaar afgestemd. De Wtp staat premieovereenkomsten met een vlakke premie toe vanaf uiterlijk 1 januari 2027, maar op 1 juli 2023 bestaande premiestaffels mogen nog worden voortgezet voor bestaand personeel. Dit leidt tot onduidelijkheid over welke pensioenregelingen na een fusie kunnen of moeten worden overgenomen, inclusief compensatieverplichtingen. Ik verwijs daarvoor naar een interessante bijdrage van Heemskerk en Dekkers in Pensioen & Praktijk.

Kortom, de Wtp is een gegeven en laten we vanuit dat gegeven de gereedschapskist erbij pakken. Zeker niet om de Wtp weer opnieuw te bouwen, maar wel om een aantal open eindjes dicht te timmeren.