1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. PensioenPost #4 – Ook de Hoge Raad bevestigt dat buffervereisten in overeenstemming zijn met EU-regels!

PensioenPost #4 – Ook de Hoge Raad bevestigt dat buffervereisten in overeenstemming zijn met EU-regels!

Onlangs heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Nederlandse buffereisen voor pensioenfondsen in overeenstemming zijn met de Europese pensioenrichtlijn IORP-II. Dit oordeel volgt op een langlopend geschil tussen de Nederlandse staat en Stichting Pensioenbehoud en KBO Noord-Brabant.
Leestijd 
Auteur artikel Frédérique Hoppers
Gepubliceerd 15 februari 2024
Laatst gewijzigd 15 februari 2024

Stichting Pensioenbehoud en KBO Noord-Brabant vorderden in deze procedure een verklaring voor recht dat artikel 131 en/of 132 Pensioenwet, welke artikelen pensioenfondsen verplichten om bij wijze van buffer een bepaald eigen vermogen aan te houden, in strijd is/zijn met de IORP II-richtlijn. De stichtingen stellen dat de IORP II-richtlijn buffereisen alleen toestaat als pensioenfondsen biometrische risico’s (overlijden, levensverwachting en arbeidsongeschiktheid) verzekeren, wat in de praktijk niet gebeurt. Pensioen kan bijvoorbeeld onder omstandigheden gekort worden als de dekkingsgraad onvoldoende is, waardoor deelnemers in de praktijk alsnog zelf het risico dragen. De stichtingen beogen met hun vordering te bewerkstelligen dat pensioenfondsen het als buffer aangehouden eigen vermogen zouden kunnen aanwenden om de pensioenen te verhogen.

Eerder hebben de rechtbank, het gerechtshof en de advocaat-generaal bij de Hoge Raad geoordeeld dat de Nederlandse buffereisen neergelegd in de artikelen 131 en 132 Pensioenwet wel in lijn zijn met Europese regelgeving. De Hoge Raad is in haar arrest tot eenzelfde conclusie gekomen.

Oordeel in hoger beroep

Het Hof heeft in 2022 vastgesteld dat de kernvraag in dit geschil draait of Nederlandse pensioenfondsen zelf biometrische risico's verzekeren. Volgens artikel 15 lid 1 van de IORP-II richtlijn moeten instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen die zelf een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of beleggingsrendementen of uitkeringen garanderen, een buffer aanhouden als aanvullende activa naast de technische voorzieningen. De stichtingen stellen dat Nederlandse pensioenfondsen geen biometrische risico's verzekeren omdat uitkeringen kunnen worden gekort bij een tekort, waardoor deelnemers uiteindelijk zelf het tekort dragen.

Het Hof oordeelde dat het begrip "verzekeren" in de richtlijn niet noodzakelijk een volledige garantie impliceert, maar vereist dat er een dekking wordt geboden tegen biometrische risico's, zelfs als uitkeringen kunnen worden gekort bij een tekort. Het onderscheid tussen “verzekeren” en “garanderen” wordt ook gemaakt in andere taalversies van de richtlijn, wat aangeeft dat "verzekeren" niet per se een specifieke garantie inhoudt. Dit betekent dat een pensioenfonds zelf biometrische risico's verzekert, zelfs als er noodmaatregelen worden genomen zoals het korten van uitkeringen. Het hof legde hier bovendien aan ten grondslag dat de richtlijn slechts een minimumharmonisatie biedt, waardoor lidstaten vrij zijn om aanvullende voorschriften op te leggen aan bedrijfspensioenvoorzieningen, zolang deze prudentieel gerechtvaardigd zijn. Zo kwam het hof tot de conclusie dat er geen strijd bestaat tussen de Nederlandse wetgeving en de IORP-II richtlijn.

Oordeel in cassatie

De stichtingen hebben in cassatie een aantal klachten aangevoerd.

Allereerst wordt betoogd dat het hof bij de interpretatie van artikel 15 lid 1 van de IORP II-richtlijn ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat in artikel 17 lid 1 IORP I-richtlijn specifiek wordt verwezen naar “instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren”, waarbij enkel werd gedoeld op “pensioenuitvoerders vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen”.  De Hoge Raad oordeelde dat de bewoordingen van de IORP II-richtlijn autonoom en uniform moeten worden uitgelegd. Het hof heeft daarom juist gehandeld door deze bewoordingen autonoom te interpreteren en hoefde daarbij geen rekening te houden met verwijzingen en bepaalde bewoordingen in de IORP I-richtlijn.

Ten tweede betogen de stichtingen dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de begrippen "dekking" en "verzekeren" in artikel 15 van de IORP II-richtlijn, met betrekking tot de vereiste aanvullende activa als buffer. De Hoge Raad heeft echter geconcludeerd dat het hof correct heeft vastgesteld dat "verzekeren" niet noodzakelijk een gegarandeerde aanspraak op een specifieke pensioenvoorziening impliceert, en dat technische voorzieningen alleen niet voldoende zijn. Daarnaast heeft de Hoge Raad bevestigd dat artikel 15 beoogt dat de beschreven instellingen naast technische voorzieningen ook een buffer moeten aanhouden, zoals duidelijk wordt uit onder meer de considerans van de IORP II-richtlijn.

Tot slot wordt in het cassatieberoep geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat artikel 15 van de IORP II-richtlijn alleen minimumharmonisatie biedt, en dat lidstaten vrij zijn om aanvullende voorschriften in te voeren, mits deze prudentieel gerechtvaardigd zijn. De Hoge Raad heeft hierover geoordeeld dat de IORP II-richtlijn lidstaten weliswaar toestaat om aanvullende voorschriften in te voeren, maar dat deze in overeenstemming moeten zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten, zonder dat daaruit een beperking kan worden afgeleid zoals bepleit door de stichtingen.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de interpretatie van de genoemde overwegingen zo helder is dat het niet gerechtvaardigd is om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals door de stichtingen was verzocht.

Conclusie

Concluderend bevestigt deze uitspraak dat de Nederlandse buffereisen voor pensioenfondsen voldoen aan de Europese pensioenrichtlijn IORP-II. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat Nederlandse pensioenfondsen, zelfs wanneer zij maatregelen zoals het korten van uitkeringen moeten nemen, nog steeds worden beschouwd als instellingen die biometrische risico's verzekeren volgens de richtlijn. Dit geeft lidstaten de ruimte om aanvullende voorschriften in te voeren, zolang deze in lijn zijn met de verplichtingen van het Europese recht.