Zoeken
  1. Planschade Deurne: na zeven maanden stilzitten passieve risicoaanvaarding

Planschade Deurne: na zeven maanden stilzitten passieve risicoaanvaarding

Van een perceeleigenaar kan worden verlangd dat hij binnen zeven maanden na de terinzagelegging van een voorontwerp voor een nadelige planwijziging een passend bouwplan indient.
Artikel | 21 maart 2019 | Hanna Zeilmaker

Een perceeleigenaar te Deurne vraagt om tegemoetkoming in planschade vanwege het vervallen van de mogelijkheid om achter het historische fratershuis op het perceel bijgebouwen te realiseren. De eigenaar beroept zich op afspraken uit 1993, die volgens hem eraan in de weg staan om hem passieve risicoaanvaarding tegen te werpen.

Passieve risicoaanvaarding bij planschade: algemeen

Planschade die voorzienbaar is komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Voor de beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico van het vervallen van onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden op het eigen perceel passief heeft aanvaard, is van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging al enige tijd zichtbaar waren.
Als de nadelige planologische wijziging voorzienbaar was, moet de vraag worden beantwoord of onder het oude planologische regime concrete pogingen zijn ondernomen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden. Er is sprake van passieve risicoaanvaarding van planologisch nadeel  1) als er voorzienbaarheid is en 2) als er geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl  3) dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar, vanaf de peildatum voor voorzienbaarheid, kon worden verlangd.
In geval van vervallen bouwmogelijkheden bestaat een concrete poging tot planrealisering uit het indienen van een bouwplan dat zodanig is uitgewerkt dat het zich laat beoordelen op passendheid binnen het bestemmingsplan en dat in beginsel past binnen de bestaande mogelijkheden van het bestemmingsplan.
Aldus de Afdeling in de uitspraak planschade Deurne, ECLI:NL:RVS:2019:869, met verwijzing naar haar bekende overzichtsuitspraak 28 september 2016.

Concreet: zeven maanden stilzitten, verwijzing naar oude afspraken met gemeente

De perceeleigenaar kon vanaf de terinzagelegging van het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan op14 mei 2012 voorzien dat de planologische situatie op zijn perceel in voor hem nadelige zin zou gaan veranderen. Hij heeft in de periode vanaf deze datum tot de terinzagelegging van het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan op 17 december 2012, een periode van ongeveer zeven maanden, geen concrete pogingen ondernomen om de in het oude bestemmingsplan bestaande mogelijkheid om maximaal 80 m2 aan bijgebouwen op zijn perceel te realiseren, alsnog te benutten. In hoger beroep gaat het erom of van de eigenaar kon worden verlangd dat hij in deze periode van zeven maanden een dergelijke poging zou ondernemen.

De eigenaar deed een beroep op afspraken die hij in 1993 met het gemeentebestuur heeft gemaakt. De Afdeling had al eerder, in haar uitspraak over het nieuwe bestemmingsplan "Centrum Deurne" , geoordeeld dat de bewoordingen van afspraken uit 1993 niet in redelijkheid als een ongeclausuleerde toezegging van planologische medewerking ter zake kunnen worden opgevat. De afspraken uit 1993 laten volgens de Afdeling dan ook onverlet dat van de eigenaar kon worden verlangd dat hij na het ontstaan van de voorzienbaarheid concrete pogingen zou ondernemen om de bouwmogelijkheden die zouden vervallen alsnog op zijn perceel te realiseren.
In het licht van de toelichting van de gemeente, dat niet voor elk bouwplan voor 80 m2 aan bijgebouwen een advies over de monumentale aanvaardbaarheid van het bouwplan nodig was, vindt de Afdeling een periode van ongeveer zeven maanden lang genoeg om een vergunningaanvraag voor een bouwplan voor maximaal 80 m2 aan bijgebouwen in te dienen. De enkele omstandigheid dat het fratershuis een rijksmonument is maakt niet dat die termijn te kort is.
Van de eigenaar kon dus worden verlangd om binnen de benuttingsperiode van ongeveer zeven maanden concrete pogingen te doen om alsnog de bouwmogelijkheden te realiseren die in het nieuwe bestemmingsplan zouden vervallen.