Zoeken
  1. Planschade Sittard-Geleen: passieve risico-aanvaarding en de uit te werken bestemming

Planschade Sittard-Geleen: passieve risico-aanvaarding en de uit te werken bestemming

Een verzoeker om planschade moet voldoende concrete pogingen ondernemen om bestaande bebouwingsmogelijkheden alsnog te benutten. Zo’n concrete poging houdt ook in dat een eigenaar in het geval van een uit te werken bestemming een aanvraag indient tot het vaststellen van een uitwerkingsplan.
Auteur artikelHanna Zeilmaker
Gepubliceerd03 september 2019
Laatst gewijzigd03 september 2019
Leestijd 


Voorgeschiedenis
De gemeente Sittard-Geleen heeft op 26 juni 2013 het bestemmingsplan “Buitengebied Sittard” vastgesteld. In dit bestemmingsplan is voorzien in een nieuwe, agrarische bestemming op gronden, waarop voorheen een uit te werken bestemming voor een woongebied rustte, en de bestemmingen openbaar groen en plantsoen. Niet ter discussie staat dat de planologische verandering leidt tot waardevermindering van de gronden.

De eigenaar van de gronden dient een planschadeverzoek in. Het college wijst het verzoek af en handhaaft dit oordeel in bezwaar. De rechtbank Limburg vernietigt de beslissing op bezwaar van het college, omdat onvoldoende gemotiveerd zou zijn waarom de planschade geheel voor rekening voor verzoekster zou moeten komen.


Voorzienbare schade en concrete pogingen
De Afdeling oordeelt kort en krachtig dat er sprake is van passieve risicoaanvaarding aan de zijde van de eigenaar, omdat zij onvoldoende concrete pogingen heeft ondernomen om de bestaande bebouwingsmogelijkheden te benutten.

Volgens de Afdeling was er sinds 2011 sprake van een concreet beleidsvoornemen. Er is toen een Structuurvisie vastgesteld met daarbij een basiskaart met het ‘streefbeeld’ voor wonen. Uit deze kaart volgde dat op de percelen van de eigenaar geen woningbouw was voorzien.

De Afdeling oordeelt vervolgens dat de eigenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende concrete pogingen heeft ondernomen om de bestaande bebouwingsmogelijkheden veilig te stellen. Hoewel de uit te werken bestemming niet voorzag in een directe bouwtitel, had de eigenaar een aanvraag kunnen indienen tot het vaststellen van een uitwerkingsplan. Op het college rustte immers een uitwerkingsplicht. Het college kan daarbij alleen beoordelen of de nieuwe woningbouw in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Bovendien is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college mocht afwijken van de uitwerkingsplicht.

De gemeente wijst er nog op dat zij diverse brieven heeft gezonden naar het college. Volgens de Afdeling omvat geen van deze brieven een aanvraag tot het vaststellen van een uitwerkingsplan dat past binnen de bestaande planologische mogelijkheden. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster de nadelige planologische gevolgen passief heeft aanvaard.

Conclusie
Uit deze uitspraak blijkt maar weer eens dat het ‘stilzitten’ van een grondeigenaar grote gevolgen kan hebben voor de aanspraak op vergoeding van planschade. De grondeigenaar zal niet alleen bestaande bouwtitels moeten benutten, maar zal in het geval van een uit te werken bestemming ook een formeel verzoek moeten indienen tot het vaststellen van een uitwerkingsplan. Laat de eigenaar dit na of past zijn verzoek niet binnen de bestaande planologische mogelijkheden, dan komt schade als gevolg van het vervallen van een uit te werken bestemming voor eigen rekening.

Heeft u vragen over planschade of nadeelcompensatie? Belt of mailt u met Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars.

Wilt u meer weten over passieve risicoaanvaarding bij planschade? Neem dan contact op met Hanna Zeilmaker of Jeroen Niederer, advocaten bij Dirkzwager!