Zoeken
  1. Procesrecht en Wabo weetjes: registratie in de postkamer is cruciaal en vervangen van een vloer is geen wijziging van de draagconstructie!

Procesrecht en Wabo weetjes: registratie in de postkamer is cruciaal en vervangen van een vloer is geen wijziging van de draagconstructie!

In een uitspraak van 21 maart 2018 zitten twee vermeldenswaardige weetjes op het gebied van bewijsrecht en vergunningvrij bouwen. In de postkamer van een gemeente moet een registratie plaatsvinden van de verzending van een besluit. Daarnaast oordeelt de Afdeling in deze uitspraak dat het vervangen van een houten vloer door een betonnen vloer geen aanpassing van de draagconstructie is, zodat hiervoor geen omgevingsvergunning is vereist.
Auteur artikelJasper Molenaar
Gepubliceerd06 april 2018
Laatst gewijzigd06 april 2018
Leestijd 

In een uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:958) zitten twee vermeldenswaardige weetjes op het gebied van bewijsrecht en vergunningvrij bouwen. De aanleiding voor deze weetjes is de weigering van het college van b&w van de gemeente Hilversum om handhavend op te treden tegen het zonder vergunning in een woning vervangen van een houten vloer door een betonnen vloer. Voordat de Afdeling de zaak inhoudelijk beoordeelt moet een oordeel worden gegeven over de vraag of het beroep tegen het niet tijdig geven van een besluit op het bezwaar al dan niet is ingesteld nadat het besluit op bezwaar bekend is gemaakt. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet worden vastgesteld op welke datum dat besluit bekend is gemaakt als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Hoofdregel: bestuursorgaan moet verzending naar juiste adres aannemelijk maken, de geadresseerde moet vervolgens dit vermoeden ontzenuwen
De Afdeling stelt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2197, voorop dat de hoogste bestuursrechters allen als uitgangspunt hanteren dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat dat besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Als verzending naar het juiste adres aannemelijk is gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
  
In deze zaak staat vast dat het besluit op bezwaar niet aangetekend is verzonden. Het college heeft gewezen op de woorden “Verzonden 18 mrt 2016” die zijn gestempeld op het besluit en op een uitdraai van het zaaksysteem waarin achter het besluit de verzenddatum “18-03-2016” is opgenomen. Ter zitting heeft het college hierop toegelicht dat het besluit, na ondertekening door de teammanager Advies en Ondersteuning op 18 maart 2016 door een ambtenaar van de juridische afdeling van een datumstempel is voorzien en vervolgens is gescand en in het digitale zaakdossier geplaatst. Het besluit is daarop omstreeks 10.00 uur per interne post naar de postkamer verzonden. Volgens het college geldt er een interne afspraak dat post die in de ochtend wordt aangeboden diezelfde dag door de postkamer wordt verstuurd.

Uit het voorgaande blijkt volgens de Afdeling dat met het plaatsen van het datumstempel slechts aannemelijk is geworden dat de brief op 18 maart 2016 de juridische afdeling van de gemeente heeft verlaten. Met het datumstempel noch de registratie van het besluit in het zaakdossier op 18 maart 2016 is echter aannemelijk gemaakt dat de brief daadwerkelijk op die dag via de postkamer het gemeentehuis heeft verlaten en naar het postadres van de gemachtigde van de appellant is verzonden. Omdat op de plek waar de daadwerkelijke verzending naar buiten plaatsvindt, in dit geval de postkamer, geen registratie heeft plaatsgevonden van de verzending naar het postadres van de advocaat, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 18 maart 2016 binnen een termijn van twee weken nadat het college in gebreke is gesteld, is verzonden naar dit postadres.

Vervangen van de vloer vergunningsvrij
Op grond van artikel 3, aanhef en achtste lid , van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is geen omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een verandering van een bouwwerk, mits o.a. de draagconstructie niet wordt veranderd.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het vervangen van de houten vloer door een betonnen vloer geen verandering van de draagconstructie betreft. Het begrip draagconstructie is in het Bor niet gedefinieerd. De Afdeling ziet daarom aanleiding aansluiting te zoeken bij de in de Van Dale, Groot woordenboek van de Nederlandse taal, opgenomen definitie van draagconstructie. Daarin wordt onder een draagconstructie een "constructie met een dragende functie" verstaan. Gelet op deze definitie verstaat de Afdeling onder de verandering van de draagconstructie als bedoeld in artikel 3, aanhef en achtste lid, onder a, van bijlage II van het Bor een verandering van een constructie van een bouwwerk welke constructie het bouwwerk mede draagt. In dit geval vormen de draagbalken de constructieve elementen die de woning mede dragen. De op de draagbalken aangebrachte vloer biedt weliswaar enige stevigheid, maar is geen onderdeel van deze draagconstructie, zodat het vervangen van de vloer geen verandering van de draagconstructie van de woning inhoudt. Weliswaar wordt de draagconstructie door de nieuwe vloer mogelijk anders belast dan voorheen, maar die andere belasting leidt op zichzelf niet tot een verandering van de draagconstructie.

Dat de vloer volgens appellant wel kan worden aangemerkt als een onderdeel van de bouwconstructie zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Bouwbesluit geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit de tekst noch de toelichting van artikel 3, achtste lid, onder a, van bijlage II van het Bor kan worden afgeleid dat het begrip “bouwconstructie” uit het Bouwbesluit als uitgangspunt moet worden gehanteerd bij de uitleg van het begrip “draagconstructie” in het Bor. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit andere begrippen uit verschillende Besluiten zijn. Dat de vloer volgens appellant zelf ook een dragende functie heeft ten aanzien van daarop geplaatste voorwerpen of daarop aanwezige personen, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de vloer moet worden aangemerkt als een draagconstructie in de zin van artikel 3, achtste lid, onder a, van bijlage II van het Bor. Dat betekent dat voor het vervangen van de vloer geen omgevingsvergunning vereist was en dat van handhavend optreden kon worden afgezien.

Wilt u meer weten over bewijs in het bestuursprocesrecht en/of vergunningvrij bouwen onder de Wabo? Neem contact op met Jasper Molenaar.