Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Rechten van verdediging in procedures met ACM uitgebreid?

Rechten van verdediging in procedures met ACM uitgebreid?

Veel boetes voor overtredingen van het kartelverbod worden door Autoriteit Consument & Markt (ACM) opgelegd nadat een clementieverzoeker (enigszins vergelijkbaar met een klokkenluider) het kartel in ruil voor boetevermindering (clementie) heeft opgebiecht bij de ACM. Als de ACM een boete oplegt, brengt het recht van verdediging mee dat de voor een kartel beboete onderneming inzicht krijgt in het gehele dossier. De rechtbank Rotterdam heeft in een principiële uitspraak geoordeeld dat (ook)...
Auteur artikelSjaak van der Heul
Gepubliceerd09 april 2014
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Veel boetes voor overtredingen van het kartelverbod worden door Autoriteit Consument & Markt (ACM) opgelegd nadat een clementieverzoeker (enigszins vergelijkbaar met een klokkenluider) het kartel in ruil voor boetevermindering (clementie) heeft opgebiecht bij de ACM. Als de ACM een boete oplegt, brengt het recht van verdediging mee dat de voor een kartel beboete onderneming inzicht krijgt in het gehele dossier. De rechtbank Rotterdam heeft in een principiële uitspraak geoordeeld dat (ook) ter beschikking moet worden gesteld informatie afkomstig van de clementieverzoekers over (beweerde) gedragingen waarvoor uiteindelijk geen boete is opgelegd. Een omstandigheid die ondernemingen zullen meewegen in een beslissing om eventueel clementie te verzoeken.

Inzage in procesdossier
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht heeft iedere partij die in beroep komt tegen een boetebesluit van de ACM recht op inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken. De ACM kan slechts op grond van gewichtige redenen weigeren bepaalde documenten te verstrekken. Een weigeringsgrond bestaat sowieso niet als de ACM op grond van de Wob verplicht zou zijn de stukken te openbaren.

De Zaak
In een procedure bij de rechtbank Rotterdam is een onderneming in beroep gegaan tegen een boete die de ACM aan haar had opgelegd in het “kartel isolerend dubbelglas”. Het bewijs van deelname was vooral gebaseerd op een clementieverzoek van een concurrent van deze onderneming.  Deze concurrent had in zijn clementieverzoek informatie verstrekt over andere glassoorten dan isolerend dubbelglas, alsmede informatie die betrekking had op een andere periode dan waarvoor de boete is opgelegd. De ACM weigerde deze informatie aan de beboete onderneming ter beschikking te stellen. Volgens de ACM had deze informatie namelijk geen betrekking op de zaak, omdat voor andere glassoorten en/of een andere periode geen boete is opgelegd.

De uitspraak
De rechtbank Rotterdam heeft op 3 april 2014  geoordeeld dat de ACM de clementieverklaringen wel degelijk integraal ter beschikking had moeten stellen aan de onderneming. Reden daarvoor was dat de beboete onderneming uitgebreid had gemotiveerd dat de clementieverklaringen over isolerend dubbelglas niet geloofwaardig waren. De verklaringen uit andere periodes, dan wel over andere glassoorten kunnen ook de betrouwbaarheid van de clementieverklaring omtrent isolerend dubbelglas in een ander daglicht plaatsen. Deze clementieverklaringen hadden om die reden volgens de rechtbank Rotterdam wel degelijk ook betrekking op de zaak voor isolerend dubbelglas. De ACM was aldus verplicht ook die verklaringen aan de beboete onderneming ter beschikking te stellen Door dat niet te doen, heeft de ACM de rechten van de verdediging geschonden.

In het onderhavige geval behoeft aan die schending van de rechten van de verdediging echter geen gevolg te worden gegeven. De ACM heeft volgens de rechtbank Rotterdam namelijk sowieso niet voldoende bewezen dat de onderneming heeft deelgenomen aan het kartel. De rechtbank Rotterdam oordeelt dat de ACM dusdanig sturende vragen heeft gesteld aan de clementieverzoekers dat de bewijswaarde van het clementieverzoek beperkt is. Naast de ingediende clementieverklaringen beschikte de ACM vervolgens onvoldoende aanvullend bewijs voor een overtreding. Zo is onvoldoende gebleken dat de onderneming aanwezig was bij de bespreking waarbij de kartelafspraken zouden zijn gemaakt en kon niet worden bewezen dat het marktgedrag van de onderneming werd ingegeven door betrokkenheid bij een kartelafspraak.