Zoeken
  1. Schiphol en geluidhinder: een never ending story?

Schiphol en geluidhinder: een never ending story?

Op 10 november 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in een “Schiphol-zaak” (201002921/1/T1/H2) een interessante uitspraak gedaan over nadeelcompensatie, de daarbij te maken vergelijkingen en te hanteren criteria van voorzienbaarheid en normaal maatschappelijk risico.Bij besluit van 27 maart 2006 had de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol aan een huiseigenaar schadevergoeding toegekend voor de waardevermindering van zijn woning door de nieuwe grenswaarden voor de gelu...
Artikel | 01 december 2010 | Hanna Zeilmaker
Op 10 november 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in een “Schiphol-zaak” (201002921/1/T1/H2) een interessante uitspraak gedaan over nadeelcompensatie, de daarbij te maken vergelijkingen en te hanteren criteria van voorzienbaarheid en normaal maatschappelijk risico.
Bij besluit van 27 maart 2006 had de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol aan een huiseigenaar schadevergoeding toegekend voor de waardevermindering van zijn woning door de nieuwe grenswaarden voor de geluidbelasting rondom de luchthaven Schiphol.

De besliscommissie had geen vergoeding toegekend voor de aantasting van het woongenot en waardevermindering van zijn woning door de met het oog op het zogenoemde vierbanenstelsel toegestane geluidbelasting op grond van het aanwijzingsbesluit. Volgens de besliscommissie was de geluidbelasting op grond van het aanwijzingsbesluit niet verslechterd, omdat er onder het oude aanwijzingsbesluit in het geheel geen beperkingen golden ten aanzien van de geluidbelasting.
De Afdeling stelt voorop dat, anders dan bij een verzoek om planschadevergoeding bij een verzoek om nadeelcompensatie geen vergelijking van opvolgende juridische regimes moet worden gemaakt, maar een vergelijking van het juridische regime dat is vastgesteld voor een beperkte groep burgers met het juridische regime dat geldt voor burgers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. De situatie van de beperkte groep bewoners van woningen gelegen binnen de geluidzones volgens het nieuwe aanwijzingsbesluit moet worden vergeleken met de situatie van de bewoners van woningen die wel binnen de invloedssfeer van de luchthaven Schiphol maar buiten de geluidzones liggen.
De besliscommissie was ervan uitgegaan dat de vaststelling van de geluidzones in het aanwijzingsbesluit niet had geleid tot schade in de vorm van een concreet taxeerbare vermindering van de waarde van een woning binnen een geluidzone, omdat er voorheen geen juridische beperkingen golden voor de geluidbelasting van de woningen. Het was volgens de besliscommissie ook niet zo dat de bewoners door het aanwijzingsbesluit feitelijk met een geluidbelasting worden geconfronteerd die voorheen niet bestond. De compensatie is volgens de besliscommissie niet bedoeld om een niet te constateren verschil tussen de waarde van woningen binnen de geluidzones onmiddellijk voor en onmiddellijk na de vaststelling van de geluidzones op te heffen. De bewoners binnen de geluidzones komen voor een vergoeding in aanmerking, omdat zij anders dan bewoners van buiten de zones gesitueerde woningen geen bescherming kunnen ontlenen aan de buiten de geluidszones geldende norm van minder dan 35 Ke, respectievelijk 26 dB(A)LAeq. Omdat het aldus volgens de besliscommissie om een andere vergoeding gaat, achtte de besliscommissie het redelijk om niet een andere waarderingsmaatstaf te hanteren (1% waardedaling per 5 Ke-stijging i.p.v. 1% waardedaling per 5 Ke-stijging).
De Afdeling vindt dat geen juiste benadering. Allereerst ziet de Afdeling geen grond voor de aanname dat de schade als gevolg van het moeten dulden van een hogere geluidbelasting zich niet zou vertalen in waardevermindering van de woning. Verder vindt de Afdeling het geen goed argument dat het aanwijzingsbesluit feitelijk niet heeft geleid tot een toename van geluidbelasting in vergelijking met de voorheen bestaande situatie. Volgens de Afdeling berust deze aanname niet op een vergelijkend onderzoek naar de waarde van woningen binnen de geluidzones en woningen buiten de geluidzones, maar wel binnen de invloedssfeer van Schiphol op de peildatum, de vaststelling van de geluidzones in het aanwijzingsbesluit. De Afdeling oordeelt dan ook dat de besliscommissie haar keuze voor een vergoeding van 1% tot 6% per geluidcontour van 5 Ke niet heeft voorzien van een toereikende motivering, temeer nu bij het vaststellen van planschadevergoedingen voor waardevermindering van woningen ten gevolge van geluidoverlast veroorzaakt door de uitbreiding van Schiphol is uitgegaan van een waardevermindering van woningen met 1% per 1 Ke toename van de geluidbelasting.
De huiseigenaar had verder bezwaar tegen de toegepaste korting van 50% wegens voorzienbaarheid van de schade. Volgens de huiseigenaar was er geen sprake was van kenbare informatie en waren ten tijde van de aankoop van zijn woning in 1981 de plannen nog onzeker. De Afdeling stelt voorop dat het voor de voorzienbaarheid van permanente schade aan te leggen criterium is of voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in voor hem ongunstige zin zou veranderen. De Afdeling zet de ontwikkelingen in de regelgeving met betrekking tot de verplichting om geluidzones vast te stellen op een rij, en oordeelt dat aan degenen die tussen 14 november 1979 en 18 januari 1994 hun woning hebben gekocht of zijn gaan bewonen, voorzienbaarheid mag worden tegengeworpen. De Afdeling overweegt daarbij dat het voor het aannemen van risicoaanvaarding niet is vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vast staat, of dat de schadeveroorzakende maatregel tot in details is uitgewerkt. Beslissend is of op het moment van de aankoop van de woning de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat een redelijk denkende en handelende koper bij de beslissing tot aankoop daarmee rekening moest houden.
Hoe nu verder? De Afdeling ziet voor de besliscommissie twee mogelijkheden.
De besliscommissie behoort in beginsel, uitgaande van de uitspraak van 9 april 2008, een aantal typen woningen, zoals onder meer hoekwoningen, tussenwoningen en vrijstaande woningen, in het invloedsgebied van Schiphol maar buiten de geluidzones te selecteren, vaststellen wat de waarde daarvan is geweest op de peildatum en vervolgens vaststellen wat de waarde is geweest van vergelijkbare typen woningen binnen de verschillende zones op de peildatum en vervolgens nagaan of het verschil, mede gelet op het normaal maatschappelijk risico en de voorzienbaarheid voor vergoeding in aanmerking komt.
Maar de besliscommissie kan er ook voor kiezen om, gelet op het door haar reeds verrichte onderzoek naar waardedalingen van woningen als gevolg van geluidsbelasting in het kader van het vijfbanenstelsel, de maatstaf te hanteren dat een toename van 1% Ke geluidbelasting leidt tot 1% waardedaling van een woning. Omdat het hier niet gaat om het toekennen van een vergoeding voor planschade, maar om nadeelcompensatie, acht de Afdeling het redelijk een korting van 50% toe te passen wegens normaal maatschappelijk risico. Daarbij overweegt de Afdeling dat bewoners van huizen binnen de invloedssfeer van Schiphol rekening dienen te houden met een toename van geluidbelasting die samenhangt met de groei van de luchthaven, ook al bestaat geen zicht op de omvang en vorm waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkelingen zich zullen concretiseren en de omvang van het nadeel dat daar mogelijkerwijs uit zal voortvloeien. Op het aldus berekende bedrag kan vervolgens in voorkomende gevallen nog een korting wegens voorzienbaarheid worden toepast.