Zoeken
  1. Te laat met dagvaarden, ook zonder vervaltermijn

Te laat met dagvaarden, ook zonder vervaltermijn

De vorderingen van een inschrijver worden  door de Almelose kort gedingrechter afgewezen omdat hij te laat heeft gedagvaard, namelijk enkele dagen na het verstrijken van de bezwaartermijn van 20 dagen  Dit ondanks het feit dat de bezwaartermijn van 20 dagen geen vervaltermijn was en er voor het einde van de termijn nog  contact was tussen de advocaten van partijen. Proactief handelen met inachtneming van gestelde termijnen blijft dus het devies voor een  inschrijver!Geen vervaltermijn maar we...
Artikel | 23 februari 2016 | Tony van Wijk
De vorderingen van een inschrijver worden  door de Almelose kort gedingrechter afgewezen omdat hij te laat heeft gedagvaard, namelijk enkele dagen na het verstrijken van de bezwaartermijn van 20 dagen  Dit ondanks het feit dat de bezwaartermijn van 20 dagen geen vervaltermijn was en er voor het einde van de termijn nog  contact was tussen de advocaten van partijen. Proactief handelen met inachtneming van gestelde termijnen blijft dus het devies voor een  inschrijver!

Geen vervaltermijn maar wel te laat
Het geschil betrof een openbare aanbestedingsprocedure door de gemeente Oldenzaal voor de aanschaf van een veegmachine. Bij brief van 18 december 2015 is Aebi Schmidt meegedeeld dat zij niet de beste inschrijving heeft gedaan. Zij is daarbij in de gelegenheid gesteld om bezwaar te maken door binnen 20 dagen een kort geding aanhangig te maken. Op 11 januari 2016 heeft Aebi Schmidt vervolgens de kort gedingdagvaarding betekend. Dat is enkele dagen buiten de 20 dagen termijn (die zou eindigen op 7 januari 2016).

Volgens de gemeente moeten de vorderingen van Aebi Schmidt worden afgewezen omdat Aebi Schmidt onvoldoende voortvarend zou zijn geweest door pas na de bezwaartermijn tot dagvaarding over te gaan. Aebi Schmidt verweert zich. De brief van 18 december zou Aebi Schmidt pas per mail van 23 december 2015 hebben ontvangen. Verder stelt Aebi Schmidt dat noch in de aanbestedingstukken noch in de gunningsbrief is vermeld dat de termijn op straffe van verval van recht zou zijn. Het is dus geen vervaltermijn. Verder zouden de advocaten van partijen vóór het verstrijken van de termijn (begin januari) nog contact hebben gehad. De rechter gaat hier niet in mee. Weliswaar is er geen sprake van een vervaltermijn, maar dat doet volgens de rechter niets af aan de omstandigheid dat Aebi Schmidt voortvarend had moeten handelen en (toch) binnen deze termijn had moeten dagvaarden.

Inhoudelijk bezwaar slaagt evenmin
Ten overvloede overweegt de kortgedingrechter dat ook om inhoudelijke redenen de vorderingen van Aebi Schmidt niet kunnen worden toegewezen. Onderdeel van aanbesteding was dat er een prijs moest worden opgegeven voor de veegmachine die de gemeente wenste in te ruilen. Op de demodag zou Aebi Schmidt aan een ambtenaar van de gemeente hebben gevraagd om een schouw van de veegmachine. De ambtenaar zou hebben meegedeeld dat er geen veegmachine meer aanwezig zou zijn. Daarop heeft Aebi Schmidt nog een vraag ingediend, maar die is door de gemeente niet beantwoord. Vervolgens heeft Aebi Schmidt ingeschreven met als prijs “0” voor de in te ruilen veegmachine.

De gemeente betwist dat een dergelijke mededeling zou zijn gedaan. Wel wordt door de gemeente erkend dat de veegmachine op een andere locatie stond, zodat een schouw op de demodag inderdaad niet mogelijk was geweest. Volgens de rechter dient het voor rekening en risico van Aebi Schmidt te komen dat zij enkel op deze mondelinge mededeling is afgegaan, en niet nogmaals een vraag heeft gesteld in Negometrix. De aanbestedingsstukken waren  duidelijk en vermeldden expliciet dat er een veegmachine moest worden ingeruild. Over de veegmachine zelf zijn geen nadere vragen gesteld, bijvoorbeeld over gebruikerssporen, kilometerstand of de mogelijkheid tot een schouw. Mede gelet op het jegens de overige inschrijvers in acht te nemen gelijkheidsbeginsel, kunnen de vorderingen van Aebi Schmidt dus ook om inhoudelijke redenen niet worden toegewezen.

Commentaar
Op grond van de Aanbestedingswet is de 20-dagentermijn geen vervaltermijn maar een opschortingstermijn. In de praktijk ‘maken’ aanbestede diensten er vaak ook een vervaltermijn van door expliciet in de aanbestedingsstukken te bepalen dat ook binnen die termijn van 20 dagen een kort geding aanhangig moet worden gemaakt op straffe van verval van recht. De Almelose voorzieningenrechter overweegt dat zelfs nu dat in dit geval niet is gedaan, de 20-dagentermijn toch de facto als een vervaltermijn moet worden beschouwd. Aan inschrijvers blijft dus het advies proactief te handelen en gestelde termijnen -zekerheidshalve- strikt na te leven.

T. van Wijk
Aanbestedingsadvocaat