Zoeken
  1. Tijdwinst legitiem argument voor toepassing van de coördinatieregeling

Tijdwinst legitiem argument voor toepassing van de coördinatieregeling

De coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wro maakt het mogelijk dat een bestemmingsplan en daarop gebaseerde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ tegelijkertijd worden voorbereid en bekendgemaakt. Daarmee kan een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijk worden versneld. In een uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018 wordt nog eens bevestigd dat dit argument – snelheid – een legitiem argument is om de coördinatieregeling toe te passen.
Auteur artikelBart de Haan
Gepubliceerd30 augustus 2018
Laatst gewijzigd30 augustus 2018
Leestijd 

Wat was het geval?
De gemeenteraad van Breda heeft de coördinatieregeling van toepassing verklaard op de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan ‘Zandberg Baronielaan 14, 22-24’ en een omgevingsvergunning voor het bouwen van 39 appartementen en een parkeergarage op die locatie. Ten zuiden van deze locatie staat de Heilig Hartkerk en de voormalige pastorie, maar deze worden niet meer voor hun oorspronkelijke functie gebruikt. In het nieuwe bestemmingsplan krijgen zij een gemengde bestemming. Met het bestemmingsplan wordt beoogd deze gebouwen, samen met de beoogde woningbouw en de omliggende ruimte te ontwikkelen tot een samenhangend geheel.

Appellanten betogen in beroep tegen het met toepassing van de coördinatieregeling vastgestelde bestemmingsplan en verleende omgevingsvergunning  dat de coördinatieregeling  ten onrechte is toegepast, omdat er volgens hen geen urgentie voor de beoogde ontwikkeling zou bestaan.

Uitspraak van de Afdeling
De Afdeling overweegt in de uitspraak van 29 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2873) dat de gemeenteraad heeft verklaard dat voor de coördinatieregeling is gekozen om tijdwinst te boeken. Ter onderbouwing heeft de gemeenteraad er op gewezen dat het voormalige kerkcomplex ernstig in verval is geraakt en dat het ter behoud van het complex, een rijksmonument,  van belang is dat de  verbouw- en restauratiewerkzaamheden zo spoedig mogelijk zouden worden uitgevoerd. De Afdeling overweegt:

De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling mede van belang kunnen achten dat uitstel van de verbouw- en restauratiewerkzaamheden als gevolg van een lang traject van elkaar opeenvolgende procedures voor het bestemmingsplan en bijbehorende omgevingsvergunningen niet wenselijk is.
In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling, exceptief toetsend, geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling in strijd is met een wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel.

Commentaar
De les die uit deze uitspraak getrokken kan worden is dat de Afdeling het boeken van tijdwinst bij de ruimtelijke ontwikkeling een legitiem argument vindt voor het gebruik van de coördinatieregeling uit de Wro.

Overigens toetst de Afdeling het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling exceptief, omdat tegen het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling geen beroep openstaat. In een uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2015) heeft de Afdeling hierover overwogen:

Gelet op artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit genomen op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de Wro. Dit betekent echter niet dat het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling in het geheel niet kan worden getoetst. Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb, staat niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Exceptieve toetsing van het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling leidt ertoe dat het besluit buiten toepassing blijft indien het in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van het besluit betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten.

Gelet op de terughoudende toetsing van de bestuursrechter en het feit dat artikel 3.30 van de Wro geen specifieke eisen lijkt te stellen aan het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling, behalve dat de verwezenlijking van het gemeentelijke ruimtelijke beleid toepassing van de coördinatieregeling wenselijk maakt, is de vraag in welke gevallen het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling wel met succes kan worden aangevochten.

Heeft u vragen over de coördinatieregeling, bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen, neemt u dan contact op met Bart de Haan.