De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Van dubbele redelijkheidstoets naar triple redelijkheidstoets?

Van dubbele redelijkheidstoets naar triple redelijkheidstoets?

Op 25 juli 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een belangrijke uitspraak gedaan over (toekenning van) de proceskostenvergoeding in het bestuurs- en omgevingsrecht.
Leestijd 
Auteur artikel Roos Molendijk (uit dienst)
Gepubliceerd01 augustus 2018
Laatst gewijzigd03 augustus 2018
 

De casus in het kort

De raad van de gemeente Boekel heeft op 1 juni 2017 het bestemmingsplan “N605-Randweg Boekel” vastgesteld, waarin is voorzien in de aanleg van een randweg ten westen van de bebouwde kom van Boekel. Negen appellanten stellen beroep in tegen voornoemd bestemmingsplan. Een deel van de appellanten vreest dat de aanleg van de randweg leidt tot een aantasting van hun woonomgeving in de vorm van onder meer geluidsoverlast, verslechterde luchtkwaliteit, sluipverkeer en verkeersgevaarlijke situaties. Andere appellanten vrezen dat de aanleg van de randweg een aantasting van hun bedrijfsvoering met zich brengt in de vorm van verlies van landbouwareaal, doorsnijding van hun gronden en problemen met de bereikbaarheid van hun bedrijven.

De door appellanten opgeworpen beroepsgronden (onder meer betrekking hebbende op de tracékeuze, de verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat) worden door de Afdeling – op een enkele uitzondering na – verworpen. Het venijn voor (een deel van de) appellanten zit hem echter in de staart van de uitspraak, meer specifiek rechtsoverweging 27. In deze rechtsoverweging laat de Afdeling zich uit over de aan appellanten toekomende proceskostenvergoeding. Voordat ik het oordeel van de Afdeling hieromtrent bespreek, eerst kort het volgende over de proceskostenvergoeding in het bestuursrecht.

De proceskostenvergoeding op grond van art. 8:75 Awb; de “dubbele redelijkheidstoets”

Ingevolge art. 8:75 lid 1, eerste volzin Awb is de bestuursrechter exclusief bevoegd om een partij te veroordelen in de kosten die zijn gemaakt in de bestuurlijke voorfase en de bestuursrechtelijke fase van een procedure. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, zal het bestuursorgaan in de regel worden veroordeeld in de proceskosten (zie voor een uitzondering bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2007:BB4750).  Natuurlijke personen kunnen alleen in de kosten worden veroordeeld bij  kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Niet alleen de juridische kosten, zoals die voor rechtsbijstand, komen voor vergoeding in aanmerking, maar ook de kosten van eventueel ingeschakelde deskundigen. Niet alle kosten die appellanten hebben gemaakt voor het inschakelen van een deskundige komen voor vergoeding in aanmerking; alleen de redelijkerwijs gemaakte kosten worden vergoed. In dit verband wordt wel de zgn. “dubbele redelijkheidstoets” gehanteerd: niet alleen het inschakelen van de deskundige moet redelijk zijn, ook de deskundigenkosten zelf moeten redelijk zijn (PG Awb II, p. 487). Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing, zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 25 juli. Onder bepaalde omstandigheden bestaat er echter aanleiding hierop een uitzondering te maken. De Afdeling past die uitzondering in deze zaak voor het eerst toe.

De uitzondering; extra toets bovenop dubbele redelijkheidstoets?

Indien de kosten de dubbele redelijkheidstoets dorstaan, dan is daarmee de kous nog niet af. De Afdeling overweegt:

“Omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor het maken van een uitzondering doen zich in het bijzonder voor in zaken in het omgevingsrecht. In die zaken kan het voorkomen dat beroepsgronden zijn gericht tegen zeer verschillende aspecten van hetzelfde besluit. Zo kunnen in beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan of tot verlening van een omgevingsvergunning gronden worden aangevoerd over aspecten zoals geluid, geur, luchtkwaliteit, stikstof, natuur, landschap, externe veiligheid en/of de volksgezondheid.

Wanneer ter onderbouwing van een beroepsgrond over bijvoorbeeld het aspect geluid een rapport door een deskundige wordt opgesteld en de Afdeling komt na een inhoudelijke bespreking tot de slotsom dat die beroepsgrond niet slaagt, dan komen de kosten in verband met het geluidsrapport niet voor vergoeding in aanmerking. Ook niet in het geval het bestreden besluit om andere redenen voor vernietiging in aanmerking komt, bijvoorbeeld vanwege een ambtshalve te toetsen aspect of vanwege een andere beroepsgrond over een ander aspect van het bestreden besluit, bijvoorbeeld over geurhinder, en die beroepsgrond wel slaagt.”

Aan de dubbele redelijkheidstoets lijkt door de Afdeling aldus nog een extra toets te worden toegevoegd. De kosten gemaakt in het kader van een deskundigenrapport over (bijvoorbeeld) het aspect geluid komen “slechts” voor vergoeding in aanmerking indien het daaraan ontleende argument c.q. de daarop gebaseerde beroepsgrond (mede) gegrond is, dan wel mede heeft geleid tot vernietiging van het bestreden besluit.
In het voorliggende geval hadden de gemaakte kosten betrekking op een rapport over de verkeersveiligheid. Aangezien de beroepsgrond die slaagde betrekking had op de landschappelijke kwaliteit, kwamen de kosten van het deskundigenrapport niet voor vergoeding in aanmerking en bleven appellanten met de kosten zitten.

De (mogelijke) gevolgen van de Afdelingsuitspraak

De Afdelingsuitspraak van 25 juli jl. betekent concreet dat rechtszoekenden minder snel aanspraak maken op een vergoeding voor deskundigenkosten. Het gevolg kan zijn dat rechtszoekenden minder snel een deskundige inschakelen, daar hangt immers altijd een prijskaartje aan.

De vraag die kan worden opgeworpen, is of er niet een onnodige drempel wordt opgeworpen voor het inschakelen van een deskundige. Zeker ook gelet op het feit dat de “dubbele redelijkheidstoets” zoals die momenteel wordt gehanteerd, ook al bewerkstelligt dat niet al te lichtzinnig tot inschakeling van een deskundige wordt overgegaan.
Daar komt nog bij dat in het omgevingsrecht –gelet op het hoge specialistische karakter van aspecten zoals geluid en natuur – vaak deskundigen worden ingeschakeld door bestuursorganen. Juist in dit soort gevallen is het voor rechtszoekenden van belang om zelf óók een deskundige in te (kunnen) schakelen. Immers, bij het niet-inschakelen van een eigen deskundige gebeurt het in de praktijk vaak dat (de inhoud van) het door het bestuursorgaan overgelegde rapport als niet voldoende betwist wordt aangemerkt en daarmee (de juistheid ervan) komt vast te staan.

Wat de mogelijke gevolgen van deze Afdelingsuitspraak zullen zijn, zal de toekomst uitwijzen. Een ding is evenwel zeker: het laatste woord over deze uitspraak is nog niet gezegd!