De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Veel vragen over verruiming permanente bewoning van recreatiewoningen

Veel vragen over verruiming permanente bewoning van recreatiewoningen

Op 18 maart 2021 heeft de minister het ontwerpbesluit inhoudende wijziging van het Besluit omgevingsrecht in verband met de verruiming van de mogelijkheden van de omgevingsvergunning voor de bewoning van recreatiewoningen aan de Eerste en Tweede Kamer voorgelegd. Dit heeft bij de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken geleid tot veel vragen.
Leestijd 
Auteur artikel Joyce de Bruijn
Gepubliceerd 05 mei 2021
Laatst gewijzigd 05 mei 2021
 

Achtergrond

Mede als gevolg van de stikstofcrisis is de bouw van nieuwe woningen geremd en de druk op de woningmarkt alleen maar verder toegenomen. Het permanent bewonen van recreatiewoningen zou een uitkomst kunnen bieden, zo is de gedachte. Op 19 februari 2020 heeft de Tweede Kamer de motie Koerhuis/Van Eijs aangenomen waarin de regering wordt verzocht om gemeenten vanaf 2021 de mogelijkheid te geven om permanente bewoning van recreatiewoningen toe te staan. Om uitvoering te geven aan die motie zal – in afwachting van de inwerkingtreding van de Omgevingswet – de wettelijke regeling van de kruimelvergunning in het Bor worden gewijzigd. Daarmee kan eenvoudig en snel worden afgeweken van het bestemmingsplan, dat permanente bewoning veelal verbiedt.

Ontwerpbesluit

Ter uitvoering van de voorhangprocedure is op 18 maart 2021 het ontwerpbesluit aan de Kamers voorgelegd. Dit leidde direct tot verontwaardiging bij de VNG: de voorgestelde wijziging is volgens de VNG onzorgvuldig, onhelder in zijn doel, lastig uitvoerbaar en disproportioneel. De vaste Kamercommissie voor Binnenlandse zaken is echter overwegend positief over het ontwerpbesluit, zij het dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de werking en uitvoering daarvan. Is de voorgestelde kruimelvergunning bijvoorbeeld persoonsgebonden of objectgebonden? Biedt deze verruiming wel een oplossing voor de woningnood? En wat is de toegevoegde waarde van deze wijziging met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet?

De huidige kruimelvergunning

De huidige kruimelvergunning in artikel 4 onderdeel 10 bijlage II van het Bor voor het in strijd met het planologische regime toestaan van permanente bewoning van recreatiewoningen is persoonsgebonden en niet vatbaar voor overgang op rechtsopvolgers. Bovendien kan deze vergunning slechts onder strenge voorwaarden worden verleend. Zo moet bijvoorbeeld de bewoning vóór 31 oktober 2003 (‘de peildatum’) zijn aangevangen. In de praktijk kan hier bijna nooit meer aan worden voldaan, waardoor de kruimelvergunning in haar huidige vorm een praktisch onbruikbaar instrument is.

De voorgestelde kruimelvergunning

De nieuwe ontwerpbesluit voorgestelde kruimelvergunning geldt voor de duur dat de aanvrager de recreatiewoning permanent bewoont en kan eenmalig worden overgedragen aan een rechtsopvolger. Het is dus eigenlijk een verruimde persoonsgebonden vergunning: objectgebonden, maar wel gekoppeld aan de duur van de bewoning door de aanvrager. Daarnaast komen er meer mensen in aanmerking voor de kruimelvergunning dan voorheen, omdat de peildatum wordt geactualiseerd: niet meer van belang is wanneer de bewoning is aangevangen, maar relevant is dat de recreatiewoning voor 1 januari 2019 is gebouwd.

Observatie

In theorie kan de voorgestelde kruimelvergunning bijdragen aan het oplossen van het woningtekort, omdat gemeenten weer beschikken over een wél toepasbaar instrument om snel en eenvoudig af te wijken van het bestemmingsplan. Punt van aandacht is dat de discretionaire bevoegdheid van gemeente om een vergunning al dan niet te verlenen behouden blijft. De huidige bewoners van recreatiewoningen die nu nog onder de radar blijven, zullen wel twee keer nadenken of zij een vergunningaanvraag indienen met als mogelijk gevolg een afwijzende beslissing en daaropvolgend een handhavingsbesluit. Tot slot vragen ook wij ons af wat de toegevoegde waarde is van deze wijziging met het oog op de Omgevingswet. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet verdwijnt de kruimelgevallenregeling immers. Ook voor wat betreft haar geldingsduur zal deze wetgevingsoperatie dan ook maar van beperkte betekenis zijn. Voor nu wachten wij de reactie van de minister op de vragen en opmerkingen van de Kamercommissie af.

Het ontwerpbesluit is integraal te raadplegen via de link.