Vergoeding verzekeringstechnisch nadeel: zowel bij verplichte deelneming als vrijwillige aansluiting bedrijfstakpensioenfonds om rekening mee te houden!

2 december 2015
Een recent arrest van de Hoge Raad van 6 november 2015 illustreert maar weer eens dat een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel de gemoederen flink bezig houdt. Het gaat daarbij ook niet om geringe bedragen. Met een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel kan zomaar meerdere tonnen gemoeid zijn. De hoogte van de vergoeding verzekeringstechnisch nadeel is onder meer afhankelijk van de samenstelling van het deelnemersbestand dat verdwijnt uit het fonds, bijvoorbeeld hoeveel jongeren daarbij z...
Frédérique Hoppers
Frédérique Hoppers
Advocaat - Partner
In dit artikel

Een recent arrest van de Hoge Raad van 6 november 2015 illustreert maar weer eens dat een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel de gemoederen flink bezig houdt. Het gaat daarbij ook niet om geringe bedragen. Met een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel kan zomaar meerdere tonnen gemoeid zijn. De hoogte van de vergoeding verzekeringstechnisch nadeel is onder meer afhankelijk van de samenstelling van het deelnemersbestand dat verdwijnt uit het fonds, bijvoorbeeld hoeveel jongeren daarbij zitten (die immers een solidariteitsbijdrage in de doorsneepremie betalen). Werkgevers die (willen) vertrekken uit een bedrijfstakpensioenfonds zullen op dit aspect bedacht moeten zijn. Niet uitsluitend op het moment van vertrek, maar vooral ook op het moment van aansluiting. Juist op dat moment wordt veelal iets geregeld over de verplichting om een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel te betalen, mocht de werkgever op enig moment het fonds weer verlaten.


Achtergrond


Verzekeringstechnisch nadeel kan bij een bedrijfstakpensioenfonds ontstaan op het moment dat een werkgever met zijn werknemers niet langer deelneemt in het betreffende bedrijfstakpensioenfonds. Dat vertrek kan van invloed zijn op de hoogte van de doorsneepremie, omdat die doorsneepremie o.a. bepaald wordt aan de hand van het totale deelnemersbestand. De doorsneepremie belichaamt een zekere solidariteit, nu de jongere deelnemers eenzelfde pensioenpremie betalen als de oudere deelnemers, terwijl zij nog een langere ‘horizon’ tot hun pensioen hebben. Een actuarieel bepaalde premie had voor de jongere geresulteerd in een lagere premie dan voor de oudere deelnemer. In de doorsneepremie, die dus voor iedere deelnemer gelijk is, zit derhalve een zekere solidariteitsbijdrage verdisconteerd. Een vertrek van relatief jonge deelnemers betekent ook dat daarmee solidariteitsbijdragen verloren gaan. Voor onder meer dat nadeel kan een vergoeding verzekerings­technisch nadeel worden gevraagd.


Wanneer aan de orde en welke rekenregels?


Een bedrijfstakpensioenfonds kan sowieso een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel vragen in geval van een vrijstelling in verband met:


- groepsvorming (artikel 3 Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf);


- een eigen cao (artikel 4 Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf);


- onvoldoende beleggingsrendement (artikel 5 Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf);


- andere redenen (artikel 6 Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf).


Hoewel het geen wettelijke verplichting van het bedrijfstakpensioenfonds lijkt om daadwerkelijk een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel te vragen, is het eerder regel dan uitzondering dat een bedrijfstakpensioenfonds dit vraagt. Vaak staat hierover ook iets vermeld in het uitvoeringsreglement of de uitvoeringsovereenkomst. Mocht een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel door een bedrijfstakpensioenfonds in het licht van het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf gevraagd worden, dan moet deze vergoeding vastgesteld worden aan de hand van de Rekenregels als bedoeld in bijlage 2 bij het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf.


Een vergoeding verzekeringstechnisch nadeel kan echter ook aan de orde zijn in een situatie waarin een vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds eindigt. Het is dan aan contractspartijen, te weten de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds, om in de uitvoeringsovereenkomst vast te leggen dat de werkgever een vergoeding in geval van (bijvoorbeeld) een collectieve uittreding moet betalen en hoe die vergoeding moet worden vastgesteld. Voor wat betreft dit laatste: de Rekenregels uit het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf zijn dan niet verplicht van toepassing. Zeker een werkgever moet er dus op bedacht zijn dat deze vergoeding op een andere, en dus ook op een ten opzichte van de Rekenregels nadeligere wijze kan worden vastgesteld. Dat is ook in de rechtspraak bevestigd. Er is niet altijd voldoende aandacht voor dit aspect. Veelal ontstaat die aandacht pas op het moment dat een beëindiging van de vrijwillige aansluiting zich voordoet en dan komt alsnog de vraag op of een vergoeding moet worden betaald en zo ja, hoeveel. Omdat die vergoeding, zeker bij “eigen” rekenregels behoorlijk kan oplopen, kan dit tot zeer onaangename verrassingen bij een werkgever leiden.


Arrest Hoge Raad


In het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2015 stond tussen partijen niet ter discussie dat de Rekenregels uit het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf leidend zijn voor de berekening van de hoogte van het verzekeringstechnisch nadeel. Wel hadden partijen discussie over de wijze waarop deze Rekenregels uitgelegd moesten worden. Er was allereerst discussie over de uitleg van het begrip “onderdekking” in de zin van de Rekenregels. Nozema (inmiddels gefuseerd met KPN) stelde dat met onderdekking bedoeld wordt de situatie waarin de dekkingsgraad bij het pensioenfonds Media PNO beneden de 105% lag. Dit was bij het pensioenfonds Media PNO niet aan de orde (dekkingsgraad van 118%), waardoor volgens Nozema op haar ook niet de verplichting rustte om (tevens) een vergoeding te betalen ter financiering van een bepaalde achterstand. Daarnaast was er discussie tussen partijen over de uitleg van het begrip “inkoop van aanspraken van niet-actieven”. Meer specifiek stelde Nozema dat hieronder niet wordt verstaan de indexering van niet-actieven, terwijl pensioenfonds Media PNO stelde dat voor de berekening van de vergoeding verzekeringstechnisch nadeel tevens rekening moest worden gehouden met de indexatieverplichting voor niet-actieven. Als hiermee rekening moet worden gehouden, had dit daadwerkelijk geleid tot een hogere vergoeding verzekeringstechnisch nadeel.


De Hoge Raad stelde Nozema als werkgever op beide punten in het gelijk. De Hoge Raad vond dus dat het begrip “onderdekking” moest worden gelezen in de context van o.a. de Pensioen- en Spaarfondsenwet, de Pensioenwet en het Besluit FTK, en hiervan dus sprake is in geval van een dekkingsgraad beneden de 105%. Daarnaast stelde de Hoge Raad dat wat betreft de inkoop van de aanspraken van niet-actieven de indexeringsverplichting hierin niet mag worden meegenomen.


Tot slot


In het bovenstaande lichtte ik al toe dat vergoeding verzekeringstechnisch nadeel ook aan de orde kan zijn in geval van het einde van een vrijwillige aansluiting. Werkgevers die vrijwillig aangesloten zijn en hier – bijvoorbeeld vanwege de hoge doorsneepremie – bij voorkeur vanaf zouden willen, doen er verstandig aan om eens te kijken naar de contractuele grondslag van de vrijwillige aansluiting. Geldt deze vrijwillige aansluiting in de lengte der jaren, zijn hieraan voorwaarden verbonden, heeft het fonds voldaan aan de zogenoemde taakafbakeningsvoorschriften etc.? In sommige gevallen heeft de werkgever wel degelijk de contractsvrijheid om (in afstemming met de werknemers) een vrijwillige aansluiting te beëindigen. Weliswaar kan de eventuele (contractuele) verplichting tot het voldoen van een bedrag aan verzekerings­technisch nadeel leiden, maar soms kan het betalen van zo’n vergoeding verzekeringstechnisch nadeel gunstiger zijn dan tot in de lengte der jaren voldoen van een hoge doorsneepremie. Zeker voor werkgevers die met een relatief jong personeelsbestand te maken hebben, kan een ‘eigen’ verzekerde pensioenregeling goedkoper uitpakken dan het jarenlang betalen van een doorsneepremie aan een bedrijfstakpensioenfonds.


 


 


Gerelateerd

Loonverschillen na overgang van onderneming: wat vereist Richtlijn 2023/970?

Het uitgangspunt is helder: werknemers die gelijk of gelijkwaardig werk verrichten, moeten daarvoor gelijk worden beloond, ongeacht hun geslacht. Dat...

Ontslag na overgang onderneming: Hoge Raad verduidelijkt ETO-redenen

In een uitspraak van 6 februari 2026 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de reikwijdte van het opzegverbod bij overgang van onderneming. De Hoge Raad...

De pensioentransitie: praktische tips voor werkgevers

De pensioentransitie is een complex en langdurig traject. Werkgevers moeten niet alleen juridisch correct handelen, maar ook draagvlak creëren bij werknemers...

Stappenplan pensioentransitie: van analyse naar implementatie vóór 2028

De pensioentransitie vraagt om een gestructureerde aanpak. Werkgevers en sociale partners hebben tot 1 januari 2028 de tijd om hun pensioenregelingen in lijn...

Te late implementatie Richtlijn gelijke beloning: wat zijn de juridische gevolgen?

Nederland gaat de implementatiedeadline van Richtlijn (EU)2023/970 niet halen. De Europese Commissie heeft herhaaldelijk benadrukt dat zij verwacht dat...

Regeerakkoord 2026–2030: wat betekenen de plannen voor arbeid en pensioen?

Op 30 januari 2026 hebben D66, VVD en CDA hun coalitieakkoord ‘Aan de slag’ gepresenteerd. Het akkoord bevat een breed pakket aan voorgenomen maatregelen op...
No posts found
Events

Aankomende online en live events

We delen diepgaande kennis en pragmatische inzichten over actuele onderwerpen in het vakgebied en de maatschappelijke thema's waar we dichtbij staan.

09
april
2026
Seminar
Aanbesteding & Mededinging
Actualiteitenbijeenkomst Aanbestedingsrecht 2026

Het is inmiddels een begrip in aanbestedingsland: de Dirkzwager Actualiteitenbijeenkomst in Nijmegen-Lent. Hopelijk bent u er dit jaar ook (weer) bij op 9 april 2026.

Nijmegen
13:30 - 17:45
21
april
2026
Webinar
Zorg & Sociaal domein
Kwaliteitsregistraties: nieuwe verplichtingen, aandachtspunten en kansen sinds 1 januari 2026

De Wet kwaliteitsregistraties zorg (Wkz) verandert de manier waarop kwaliteitsregistraties in de zorg worden gebruikt om de kwaliteit van zorg te kunnen verbeteren.   Een kwaliteitsregistratie verzamelt patiëntgegevens bij verschillende zorgaanbieders om de kwaliteit van zorg, bijvoorbeeld bij een bepaalde aandoening, te meten en te verbeteren. Deze wet introduceert een wettelijke plicht voor zorgaanbieders om patiëntgegevens aan te leveren aan de kwaliteitsregistratie. Dat biedt kansen: toestemming van de patiënt is niet langer het uitgangspunt, maar vraagt tegelijkertijd om herziening van het interne beleid, waarbij aandacht moet zijn voor de privacyrechtelijke implicaties van de wet (waaronder de inrichting van een opt-out).

Wat betekent dit concreet voor uw organisatie en wat moet u regelen? Onze specialisten geven een compleet en praktisch overzicht van wat de wet verlangt, zodat u weet waar bijsturing nodig is en waar kansen liggen.

Online
10.00 - 11.30
Liever een inhouse training op maat?

Wij organiseren ook events op maat. Van kleine tot grote groepen, we zorgen voor een inspirerende sessie afgestemd op uw wensen. Informeer naar de mogelijkheden.

Contact opnemen