Zoeken
  1. Volksgezondsheidsaspecten bij vestiging of uitbreiding van veehouderijen

Volksgezondsheidsaspecten bij vestiging of uitbreiding van veehouderijen

De afgelopen jaren is er de nodige jurisprudentie verschenen over de vraag of, en zo ja op welke wijze, volksgezondheidsaspecten een rol kunnen of mogen spelen bij de vestiging of uitbreiding van veehouderijen. Deze vraag speelt zowel in milieuvergunningprocedures als in planologische procedures.
Artikel | 05 december 2018 | Bart de Haan

Op 21 november 2018 heeft de Afdeling een nieuwe uitspraak gedaan waarin door appellanten het volksgezondheidsaspect werd opgevoerd om het voornemen van Wayside om het in Wormerveer (Noord-Holland) gevestigde melkrundveebedrijf om te zetten naar een melkgeitenbedrijf. (ECLI:NL:RVS:2018:3781). Ten behoeve van die omzetting moest onder meer een nieuwe stal worden gerealiseerd. Omdat de bouw van de nieuwe stal niet kon worden gerealiseerd binnen het vigerende bouwvlak, heeft het college van burgemeester en wethouders gebruikgemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid om het agrarisch bouwvlak te vergroten.

Appellanten voeren bij de Afdeling aan dat het wijzigingsplan leidt tot gevaar voor de volksgezondheid in de vorm van het ontstaan en het zich verspreiden van Q-koorts en andere aandoeningen.

Volksgezondheid ruimtelijk relevant belang
De Afdeling overweegt dan allereerst onder verwijzing naar een uitspraak van 5 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT6661) dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in de uitbreiding van (intensieve) veehouderij, de mogelijke besmetting van dierziekten, zoals Q-koorts, een ruimtelijk relevant mee te wegen belang is. De Afdeling merkt daarbij wel op dat de bestrijding van besmettelijke dierenziekten primair regeling vindt in andere wetgeving zoals de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten. 

Belangenafweging m.b.t. Q-koorts
Vervolgens accordeert de Afdeling de belangenafweging die het college heeft gemaakt m.b.t. het gevaar op Q-koorts. Volgens de Afdeling heeft het college in aanmerking mogen nemen dat sinds het invoeren van een landelijke vaccinatieplicht en andere regels die zijn vastgelegd in onder meer de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten, geen uitbraak meer van Q-koorts heeft plaatsgevonden. En dat de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in de praktijk dus wordt nageleefd. Het college heeft zich gelet daarop op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het tegengaan van Q-koorts niet in de weg staat aan het toestaan van de geitenhouderij.

Bouwstop geitenhouderijen in andere provincies
Interessant is vervolgens dat appellanten wijzen op de groeistop voor geitenhouderijen zoals die in andere provincies is afgekondigd of wordt overwogen. De Afdeling stelt naar aanleiding van dat betoog allereerst vast dat die groeistop niets van doen heeft met de vrees voor Q-koorts maar met de vrees voor mogelijke andere aandoeningen, in het bijzonder longontsteking bij omwonenden. Vervolgens overweegt de Afdeling:

“De enkele omstandigheid dat elders een groeistop is afgekondigd of wordt overwogen, betekent niet dat het college het weigeringsplan niet had mogen vaststellen zoals het heeft gedaan. De organen van de betrokken provincies en gemeenten hebben immers ieder een eigen verantwoordelijk en bevoegdheid. Voorts komen de relevante omstandigheden in de verschillende provincies en gemeenten niet in elk opzicht overeen. Zo wijst het college er terecht op dat de provincie Noord-Holland een aanzienlijk minder grote dichtheid aan intensieve veehouderijen kent dan (delen van) sommige andere provincies en dat het aantal intensieve veehouderijen consequenties zou kunnen hebben voor de omvang en ernst van gezondheidsrisico’s.”

Rapport VGO
Ook in het rapport ‘veehouderij en gezondheid omwonenden’ van het RIVM, gepubliceerd op 16 juni 2017, vindt de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college in redelijkheid had moeten afzien van een vaststelling van het wijzigingsplan. Weliswaar hebben omwonenden rondom pluimveehouderijen en geitenhouderijen een verhoogde kans op een longontsteking, maar het is onduidelijk wat de toename van het verhoogde risico veroorzaakt. Het rapport beveelt aan om nader onderzoek te doen, maar geeft geen andere aanbevelingen.

In de omgeving van het agrarisch bedrijf bevinden zich verschillende woningen, maar de omgeving heeft het karakter van buitengebied. De gemeente kent geen intensieve veehouderijen. De afstand tot de enige andere geitenhouderij in de omgeving bedraagt ongeveer 2,5 km. Er is dus geen concentratie van bedrijven die van belang zou kunnen zijn met het oog op de verspreiding van dierziekten. De Afdeling oordeelt dan ook dat ook het belang van het tegengaan van andere aandoeningen dan Q-koorts niet in de weg stond aan het toestaan van de geitenhouderij.

Conclusie
De Afdeling hecht vooralsnog weinig waarde aan de rapportages die ingaan op het verband tussen de aanwezigheid van geitenhouderijen en aandoeningen zoals longontsteking. Er is namelijk wel een relatie maar geen causaal verband tussen de twee gevonden. Ook in het meest recent gepubliceerde onderzoek van oktober 2018 (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014 – 2016) wordt nogmaals opgemerkt dat er vooralsnog geen causaal verband is aangetoond.

De onderzoeken, maar ook de afgekondigde bouwstops voor geitenhouderijen in andere provincies, hoeven niet te leiden tot het weren van geitenhouderijen. Wat opvalt is dat de Afdeling de nadruk legt op de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid van het bestuursorgaan. Die moet een eigen afweging maken. In dat verband is het goed erop te wijzen dat die afweging ook tot een andersluidend besluit kan leiden, namelijk een weigering. Ik verwijs daarvoor naar een uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2189). Daarin benadrukt de Afdeling ook de eigen verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan:

“De raad heeft, zoals het college ter zitting ook heeft aangevoerd, een eigen beoordeling gemaakt en heeft een eigen voortschrijdend inzicht met betrekking tot de gevolgen van geitenhouderijen voor de volksgezondheid en de onduidelijkheid die er op dit moment op dat punt bestaat doorslaggevend geacht. Er is geen grond voor het oordeel dat de raad deze afweging niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen.”

“De raad heeft, zoals het college ter zitting ook heeft aangevoerd, een eigen beoordeling gemaakt en heeft een eigen voortschrijdend inzicht met betrekking tot de gevolgen van geitenhouderijen voor de volksgezondheid en de onduidelijkheid die er op dit moment op dat punt bestaat doorslaggevend geacht. Er is geen grond voor het oordeel dat de raad deze afweging niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen.”