Zoeken
  1. voorrangsregeling artikel 7.16 Waterwet

aanwijzing als tijdelijke waterberging: meer duidelijkheid over voorrangsregeling artikel 7:16 Waterwet

Hoe moet de voorrangsregeling van artikel 7.16 Waterwet worden uitgelegd in het geval van een verzoek om planschadevergoeding vanwege de dubbelbestemming "Tijdelijke waterberging"? De Afdeling legt in deze uitspraak dat artikel 7.16 een voorrangsregeling bevat die inhoudt dat indien een belanghebbende een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, Waterwet vraagt of kan vragen, afdeling 6.1 van de Wro niet van toepassing is. In de uitspraak komt verder het normaal maatschappelijk risico bij de aanwijzing als bergingsgebied aan de orde.
Auteur artikelHanna Zeilmaker
Gepubliceerd27 september 2018
Laatst gewijzigd27 september 2018
Leestijd 

De eigenaren van agrarische percelen te Leusden hadden gevraagd om een tegemoetkoming in planschade vanwege het op 25 februari 2010 in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied 2009" waarin aan (delen van) hun gronden de dubbelbestemming "Tijdelijke waterberging" was toegekend.

Boordeling toepassing artikel 7.16 van de Waterwet

In artikel 7.16 Waterwet is bepaald dat de planschaderegeling van art. 6.1 Wro buiten toepassing blijft voor zover een belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, de nadeelcompensatiebepaling van de waterwet. Hoewel artikel 7.16 Waterwet vanwege het overgangsrecht en de datum van vaststelling van het bestemmingsplan in deze zaak niet van toepassing is, ziet de Afdeling aanleiding om op deze bepaling in te gaan. De Afdeling is het namelijk niet eens met de uitleg die de rechtbank aan de rechtspraak over deze bepaling heeft gegeven. Anders dan zou kunnen worden afgeleid uit de rechtspraak van de Afdeling over bestemmingsplannen, is er op grond van artikel 7.16 van de Waterwet geen samenloop mogelijk van zowel schadevergoeding op grond van artikel 7.14 van de Waterwet als tegemoetkoming in planschade op grond van afdeling 6.1 van de Wro. Met een uitvoerige verwijzing naar de memorie van toelichting op het huidige artikel 7.16 Waterwet en het doel van de voorrangsregeling van artikel 7:16 Waterwet legt de Afdeling uit dat artikel 7.16 een voorrangsregeling bevat die inhoudt dat indien een belanghebbende een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, vraagt of kan vragen, afdeling 6.1 van de Wro niet van toepassing is. De door de rechtbank aan artikel 7.16 gegeven uitleg - dat vergoeding van planschade op grond van artikel 6.1 Wro slechts is uitgesloten voor zover het waterschap gehouden is de betreffende schade- is dus niet juist.

Normale maatschappelijk risico gelet op aard van de schade

De eigenaren hadden betoogd dat in dit geval in het geheel geen aftrek wegens het normaal maatschappelijk risico mag worden toegepast. Volgens hen volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Waterwet dat bij de toepassing van de gedoogplichten als bedoeld in de artikelen 5.24 en 5.26 van de Waterwet dient te worden uitgegaan van een volledige schadevergoeding. Dat geldt dan ook bij planschade als gevolg van het planologisch bestemmen van de gronden tot "Tijdelijke waterberging". Een andere conclusie is volgens hen in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij EVRM. De eigenaren stellen verder dat voor wat betreft de indirecte planschade, gelet op de aard van de schade in dit geval, het normaal maatschappelijk risico niet meer kan bedragen dan 2%.

De Afdeling volgt de eigenaren niet in hun betoog dat in dit geval op de directe planschade in het geheel geen aftrek wegens het normaal maatschappelijk risico mag worden toegepast. De Wro biedt daarvoor geen grondslag. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Waterwet (Kamerstukken II 2006-2007, 30 818, nr. 3, blz. 132, en 2007-2008, 30 818, nr. 4, blz. 15 en 16, en nr. 7, blz. 12 en 22) staat dat voorheen voor een aantal gevallen waarin gedoogplichten werden opgelegd volledige schadevergoeding mogelijk was en dat dit mogelijk blijft onder de nieuwe schadevergoedingsregeling in de Waterwet. Hieruit kan volgens de Afdeling niet worden afgeleid dat bij de directe planschade als gevolg van de bestemming van de gronden tot tijdelijk waterbergingsgebied, in afwijking van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, geen aftrek wegens het normaal maatschappelijk risico mag worden toegepast. De gedoogplichten kunnen leiden tot feitelijke aantasting van onroerende zaken en kunnen niet op één lijn worden gesteld met de in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro vermelde planologische besluiten die tot planschade kunnen leiden. Van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is geen sprake omdat de toepassing van een aftrek wegens het normaal maatschappelijk risico niet tot gevolg heeft dat de aanvrager zijn eigendom wordt ontnomen in de zin van die verdragsbepaling.

Bestemming tijdelijke waterberging is normale maatschappelijke ontwikkeling

De eigenaren hadden aangevoerd dat de schadeveroorzakende ontwikkeling niet mocht worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling die in de lijn van de verwachtingen lag.

De Afdeling is van oordeel dat de planologische ontwikkeling wel een normale maatschappelijke ontwikkeling is die in de lijn van de verwachtingen lag. Omdat de gronden laag zijn gelegen en nabij een watergang, is de planologische aanwijzing van die gronden als tijdelijke waterberging een normale maatschappelijke ontwikkeling. Verder mocht bij de beoordeling of deze normale maatschappelijke ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, betrokken worden dat de gronden al in april 2005 door het waterschap zijn aangewezen als waterbergingsgebied. Immers daarmee is de eerste stap gezet tot realisering van het waterbergingsgebied. De omstandigheid dat in die periode al een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage was gelegd waarin de gronden de dubbelbestemming "Tijdelijke waterberging" hadden gekregen, doet daar niet aan af.

Forfait bij directe versus indirecte planschade

De Afdeling wijst er op dat bij de indirecte planschade een lager percentage dan 2% niet mogelijk is. De drempel van 2% in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro is een minimum forfait dat geldt voor alle gevallen waarin is verzocht om een tegemoetkoming in indirecte planschade. Het betreft een dwingendrechtelijke bepaling, die het bestuursorgaan moet toepassen.

De Afdeling wijst er verder op dat de forfaitaire drempel van 2% als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro weliswaar niet van toepassing in geval van directe planschade, maar dat aan artikel 6.2, eerste lid, van de Wro zelfstandige betekenis toekomt. Op basis van deze bepaling moet worden onderzocht of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Alleen die schade wordt vergoed, die uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijk risico dat elke burger behoort te dragen.