Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Woningbouw en stikstofproblemen

Woningbouw en stikstofproblemen

De (woning)bouwsector wordt als gevolg van de stikstofproblematiek op dit moment geconfronteerd met een sterk toegenomen onderzoekslast en met het feit dat aan veel (woning)bouwprojecten uiteindelijk als gevolg van de (zeer beperkte) stikstofdepositie geen medewerking wordt verleend door het bevoegd gezag. De woningbouw stagneert daardoor in ernstige mate met alle negatieve gevolgen van dien.
Auteur artikelJasper Molenaar
Gepubliceerd18 oktober 2019
Laatst gewijzigd29 oktober 2019
Leestijd 

Brancheverenigingen van bouwers, ontwikkelaars, huurders en ook Aedes hebben het kabinet en de leden van de Tweede Kamer om die reden de “Oproep aanpassing stikstofnormen ten behoeve van woningbouw” d.d. 16 oktober 2019 aangeboden.

Gevolgen van de PAS-uitspraken

In de oproep en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek wordt gesignaleerd dat na de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 29 mei 2019:

  • bij elk bestemmingsplan en bij elke concrete ontwikkeling van een (woning)bouwproject (hoe beperkt in omvang ook) sinds de PAS-uitspraken van 29 mei 2019 eerst een uitgebreide Aerius-berekening dient te worden uitgevoerd;
  • bij elk (woning)bouwproject waarbij uit de Aerius-berekening volgt dat het betreffende project meer dan 0,00 mol/ha/jr. stikstofdepositie (inclusief intern salderen) in een of meer Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, een ecologische voortoets dient plaats te vinden;
  • als na de ecologische voortoets niet kan worden uitgesloten dat er significante effecten zijn, een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd.

Extra werk en tijd

De ecologische voortoets en de passende beoordeling vergen steeds een beoordeling in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van de betreffende gebieden. Daarnaast leidt een passende beoordeling in veel gevallen ook tot de plicht om een milieueffectrapportage op te stellen. Deze verplichtingen leiden tot heel veel extra werk met hoge kosten en aanzienlijke vertraging, terwijl dat in veruit de meeste gevallen niet leidt tot aanvullende acties en/of meer natuurkwaliteit, aldus De Oproep.

Effecten te verwaarlozen

Daar komt volgens de initiatiefnemers bij dat aan de meeste (woning)bouwprojecten die net boven die grens van 0,00 mol/ha/jr. uitkomen ook na de voortoets en/of een passende beoordeling uiteindelijk geen vergunning wordt verleend. Dit terwijl de effecten voor de Natura 2000-gebieden niet aantoonbaar zijn, omdat de uitstoot praktisch te verwaarlozen zou zijn. Daarbij wordt in De Oproep deze uitstoot vergeleken met minder dan één ganzenpoepje per jaar per hectare ofwel een zakje Pokon van 4 gram. Gezien deze grote problemen doen de initiatiefnemers een drietal aanbevelingen, die de knelpunten voor de woningbouw voor de komende periode oplossen, totdat er een definitieve oplossing (met drempelwaarde en bijbehorend programma) door het Kabinet is geformuleerd:

  1. bepaal in een ministeriële regeling dat bij (woning)bouwprojecten de stikstofdepositie in de aanlegfase buiten beschouwing gelaten mag worden, mits die gedurende een periode van maximaal 3 jaar (aaneengesloten) maximaal 1 mol/ha/jr. bedraagt;
  2. bepaal in een ministeriële regeling dat bij (woning)bouwprojecten waarbij de stikstofdepositie in de gebruiksfase maximaal 0,05 mol/ha/jr. bedraagt, er voor wat betreft de gebruiksfase geen vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming geldt;
  3. leg in de beide ministeriële regelingen vast dat bij het bepalen of een (woning)bouwproject aan de genoemde randvoorwaarden voldoet gebruik gemaakt mag worden van eenvoudige vuistregels. In de notitie zijn deze vuistregels verder uitgewerkt, maar de basis is dat voor een project van maximaal 100 woningen op een afstand van minimaal 750 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied geen vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming geldt en een Aerius-berekening derhalve achterwege kan blijven.

Commentaar

Deze maatregelen zullen inderdaad tot gevolg hebben dat projecten minder vertraging oplopen. Het lastige in onze visie is evenwel dat op grond van artikel 6 van de Habitatrichtlijn significante negatieve effecten op een Natura 2000-gebied moeten worden uitgesloten. Dat blijft toch maatwerk. De vraag rijst dus in hoeverre met deze aanbevelingen voldaan kan worden aan de verplichtingen van de Habitatrichtlijn. Toestemming voor een project met een toename van bijvoorbeeld 1 mol/ha per jaar in de aanlegfase over een periode van 3 jaar op een afstand van 750 meter van bijvoorbeeld een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied waarvan de kritische depositiewaarde al is bereikt, lijkt ons moeilijk te verenigen met de Habitatrichtlijn. Bovendien is het maar zeer de vraag of het “losknippen” van de aanlegfase van een project is toegestaan in gevolge de Habitatrichtlijn. In de PAS-uitspraken heeft de Afdeling namelijk bepaald dat één project in zijn geheel moet worden beschouwd en dat dit niet opgeknipt kan worden in afzonderlijke onderdelen. Dit is overigens geen nieuwe lijn in de rechtspraak, omdat de Afdeling bijvoorbeeld ten aanzien van onderhoudswerkzaamheden (ABRvS 25 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3997) heeft geoordeeld dat dit soort werkzaamheden en het reguliere gebruik zodanig met elkaar verbonden zijn dat deze als één project voor de beoordeling van de vergunningplicht krachtens de Nbw 1998 (oud) dienen te worden aangemerkt. Eenzelfde benadering geldt in onze optiek ook voor het benaderen van de aanlegfase.

Wilt u meer weten over de stikstofproblematiek en de oplossingsrichtingen voor uw project? Neem contact op met Jasper Molenaar en/of Bart de Haan.