Zoeken
  1. Zwarte lijst niet gebruiken om betaling af te dwingen; KPN veroordeeld om persoonsgegevens te verwijderen

Zwarte lijst niet gebruiken om betaling af te dwingen; KPN veroordeeld om persoonsgegevens te verwijderen

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft KPN veroordeeld om persoonsgegevens van een slachtoffer van identiteitsfraude van een zwarte lijst te halen. Volgens het Hof had KPN geen rechtvaardiging voor het aanhouden van deze registratie. Het afdwingen van betaling door plaatsing op een zwarte lijst is in ieder geval volgens het Hof geen goede grond.Achtergronden bij de kwestieUit de beschikking van het Hof blijkt dat het volgende speelde. Een vrouw is bestolen van haar bankpas en ID-kaart. Gelet...
Artikel | 12 november 2014 | Mark Jansen
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft KPN veroordeeld om persoonsgegevens van een slachtoffer van identiteitsfraude van een zwarte lijst te halen. Volgens het Hof had KPN geen rechtvaardiging voor het aanhouden van deze registratie. Het afdwingen van betaling door plaatsing op een zwarte lijst is in ieder geval volgens het Hof geen goede grond.



Achtergronden bij de kwestie

Uit de beschikking van het Hof blijkt dat het volgende speelde. Een vrouw is bestolen van haar bankpas en ID-kaart. Gelet op de chronologie van de feiten vermoed ik dat dit in het weekend van 6 en 7 april 2013 is gebeurd (staat niet expliciet in de uitspraak). Op zaterdag 6 april zijn in totaal (in verschillende winkels) vier telefoonabonnementen op naam van de vrouw afgesloten en zijn vier mobiele telefoons verstrekt. Op maandag 8 april 2013 heeft de vrouw aangifte gedaan van diefstal van ID-kaart en bankpas.

Op woensdag 10 april 2013 heeft de vrouw aan Telfort (=KPN) bericht dat er op haar naam abonnementen zijn afgesloten. Na wat correspondentie meldt KPN vervolgens op 4 juni 2013 dat de vrouw is aangemeld bij stichting Preventel. Aanmelding bij deze stichting heeft praktisch tot effect dat de vrouw in Nederland geen mobiele telefoonabonnementen meer kan afsluiten (een zogenaamde 'zwarte lijst'). In latere brieven wijst KPN erop dat de registratie wordt opgeheven zodra de vrouw alle openstaande vorderingen betaalt.

Procedure bij de rechtbank door de vrouw gewonnen

De vrouw start een procedure bij de rechtbank Midden-Nederland en roept daarbij haar privacyrechtelijke correctierecht in (artikel 36 Wbp). Zij vordert dat KPN wordt veroordeeld om binnen twee dagen na betekening haar gegevens bij stichting Preventel te (doen) verwijderen op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen, zij het dat de rechtbank heeft gematigd tot € 100,-- per dag.

KPN gaat in hoger beroep

KPN gaat daarop in hoger beroep en voert daarbij twee grieven aan:

  1. de vrouw had eerst gebruik moeten maken van haar inzagerecht, alvorens gebruik te maken van het correctierecht;

  2. de rechtbank zou ten onrechte hebben meegewogen dat KPN geen kopie van het gebruikte identiteitsbewijs hebben overgelegd.


Beide grieven worden door het Hof verworpen.

Hof: geen overbodige inzageverzoek vereist

Met betrekking tot de eerste grief overweegt het Hof dat het eerst doen van een inzageverzoek een "overbodige handeling" zou zijn geweest voor de vrouw. Zij wist immers al welke gegevens KPN van haar had geregistreerd bij Preventel.

Deze uitleg van het Hof is, strikt genomen, contrair aan (de tekst van) de wet (zie aanhef artikel 36 lid 1), maar lijkt me alleszins redelijk. Niemand is gebaat bij nodeloze correspondentie over de verwerkte persoonsgegevens, ook KPN niet. Het zou bovendien, onderaan de streep, voor de uitkomst geen enkel verschil hebben gemaakt. De vrouw zou immers in dat geval vrij zijn geweest alsnog een inzageverzoek te doen - zonder opgave van redenen - en daarna alsnog het correctierecht in te roepen. Het zou m.i. erg raar zijn om de vrouw eerst niet-ontvankelijk te verklaren, om haar daarna enkele maanden later alsnog voor de rechter te ontvangen.

Hof: discussie over overleggen identiteitsbewijs niet relevant

Het Hof geeft KPN op zichzelf gelijk in de stelling dat de rechtbank ten onrechte heeft meegewogen dat KPN geen kopie van het identiteitsbewijs in het geding had gebracht. Dit helpt KPN echter verder in het geheel niet. Die (achtergrond)discussie over welk bewijs er in het geding is gebracht is volgens het Hof namelijk niet waar het in de kern om draait.

Het Hof overweegt dat KPN persoonsgegevens van de vrouw verwerkt. Daarvoor zal KPN op grond van artikel 8 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) een grondslag moeten hebben. De enige denkbare grondslag in dit verband is artikel 8 sub f Wbp, die een belangenafweging vereist.

KPN heeft als belang aangevoerd dat zij betaald wil zien voor de verstrekte telefoons. Daarbij is aangevoerd dat ze ervoor gekozen heeft deze vordering niet te innen, maar alleen de registratie van de vrouw te handhaven. Het Hof stelt vast dat KPN registratie hiermee als dwangmiddel gebruikt.

De vrouw voert daarentegen aan dat zij thans geen mobiele abonnementen kan afsluiten, dat dit haar ernstig hindert en zij onderbouwt bovendien dat zij daadwerkelijk het slachtoffer is geworden van identiteitsfraude. Zo heeft zij adequaat opgetreden toen ze ondekte van de diefstal en blijken de handtekeningen op de contracten niet te lijken op de handtekening van de vrouw.

Onder deze omstandigheden moeten de belangen van de vrouw volgens het Hof prevaleren. Dat KPN nog geld tegoed heeft is verder in deze privacyrechtelijke procedure niet relevant, dat zou eventueel in een andere (incasso)procedure uitgevochten kunnen worden.

Het eerdere vonnis wordt dan ook bekrachtigd. KPN moet de gegevens van de vrouw dus bij Preventel verwijderen.

Slotopmerking

Deze beschikking van het Hof is een fraaie illustratie van de belangenafweging en proportionaliteitstoets die in het privacyrecht regelmatig gedaan moet worden. Een openstaande vordering van een slachtoffer van identiteitsfraude is onvoldoende rechtvaardiging om iemand op een zwarte lijst te zetten en zo het gebruik van mobiele telefonie in Nederland onmogelijk te maken. Wie geld tegoed heeft van een consument zal de vordering moeten innen (of afboeken), maar niet dergelijke pressiemiddelen gebruiken (uitgezonderd wettelijke plichten tot aanmelding bij een zwarte lijst, vgl. het BKR).

Overigens is de vraag of de kwestie niet anders uitgepakt zou hebben, wanneer KPN ook andere gronden zou hebben aangevoerd die de registratie rechtvaardigen (zoals het belang van een stabiel betalingssysteem in de telecomsector, vgl. belang BKR). Ook is de vraag of deze kwestie niet sterk gekleurd wordt door het gegeven dat de vrouw heeft weten te onderbouwen dat ze slachtoffer is van identiteitsfraude. Kennelijk is KPN er niet in geslaagd te onderbouwen dat er sprake is van eigen schuld van de vrouw (zo roept het bij mij toch de vraag op hoe de dieven zijn komen te beschikken over de pincode van de vrouw). Zoals met alle zaken lijkt ook deze kwestie dan ook sterk gekleurd door de specifieke feiten.

Verder is opvallend dat de genoemde stichting Preventel niet gemeld staat in het register van zwarte lijsten op de website van het College Bescherming Persoonsgegevens. Dat zou je wel verwachten, nu immers kennelijk gegevens worden uitgewisseld tussen die stichting en Nederlandse telecomaanbieders (overigens wel afhankelijk van welke gegevens precies). Deze uitspraak krijgt dus mogelijk ook anderszins nog wel een staartje.