Afvalstof of niet? De hoofdlijnen in internationale en nationale rechtspraak

10 december 2019

Wat voor de één afval is, is voor de ander geen afval. Juist voor de houder is het belangrijk om te weten of een product als afvalstof wordt aangemerkt. Er geldt immers andere wet- en regelgeving voor afvalstoffen. Ook in de tijd dat er meer wordt ingezet op een circulaire economie is het (te) snel aanmerken van een product als afval niet altijd wenselijk. Of een product kwalificeert als afvalstof is niet altijd eenvoudig te beoordelen. Uit jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling moeten worden betrokken. Meer in het bijzonder moet gekeken worden naar het gedrag van de houder en de betekenis van “zich ontdoen van”.

Jasper Molenaar
Jasper Molenaar
Advocaat - Partner
In dit artikel

Arrest Shell Nederland

Het arrest Shell Nederland (12 december 2013, C-241/12 en C-242/12, ECLI:EU:C:2013:821) wordt gezien als het standaardarrest waarin het Europese Hof overweegt hoe artikel 3 van de Kaderrrichtlijn afvalstoffen uitgelegd moet worden. In latere rechtspraak wordt veelvuldig naar dit arrest verwezen. Dit jaar nog heeft het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen beantwoord met het arrest Shell Nederland als uitgangspunt (arrest Tronex, HvJ EU 4 juli 2019, C-624/17, ECLI:EU:C:2019:564).

Algemene uitgangspunten

De definitie van afvalstof volgens artikel 3 van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) luidt: “elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”. Volgens vaste rechtspraak moet dit begrip ruim worden uitgelegd. Bij iedere vraag of er sprake is van een afvalstof moet een beoordeling van de feiten en omstandigheden in een concreet geval plaatsvinden in het licht van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn. Bijzondere betekenis komt toe aan de intentie en het gedrag van de houder en de omstandigheid of een materiaal wel of geen last is voor de houder.

De ruime uitleg van het begrip afvalstoffen houdt in dat geen enkele stof of product op voorhand kan worden uitgezonderd van het begrip afvalstoffen. Ook stoffen of producten die een economische waarde hebben of niet schadelijk zijn voor het milieu kunnen kwalificeren als afvalstof. Het gedrag van de houder is doorslaggevend.

Zich ontdoen van

Het gedrag van de houder van een stof of product is essentieel voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een afvalstof. Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn dat het om een afvalstof gaat. Vrij eenvoudig is het wanneer voor een stof of een product een wettelijke plicht geldt om deze te verwijderen. Deze stof of product moet altijd als een afvalstof worden aangemerkt. Het ligt al iets lastiger bij een stof of product die voor de houder ervan geen nut (meer) heeft. De stof of het product is dan een last waarvan de houder zich wil ontdoen. Dergelijke stoffen vallen onder het begrip afvalstof, omdat er een groot risico is dat de houder zich van de stof of het product ontdoet op een manier die schadelijk kan zijn voor het milieu of de gezondheid.

Voortgezet gebruik / hergebruik

Of een stof of product nog van nut is, kan worden bepaald aan de hand van drie criteria:

  1. is het zeker dat de stof of het product gebruikt zal worden?

  2. is het voorgenomen gebruik rechtmatig?

  3. is het voorgenomen gebruik voldoende hoogwaardig?

De vraag of het (voortgezette) gebruik zeker is, kan weer beantwoord worden aan de hand van aanwijzingen. Zo zal zeker hergebruik waarschijnlijker zijn als dat hergebruik mogelijk is zonder voorafgaande bewerking. De stof of het product wordt dan niet meer als een last gezien waarvan de houder zich wil ontdoen.

In de praktijk zijn talloze voorbeelden bekend waar de vraag of iets een afvalstof is centraal staat. In andere kennisartikelen op onze website zal op diverse producten en de beoordeling uitgebreider worden ingegaan.

Bewijslast rust op de houder

De houder dient te bewijzen dat het niet zijn voornemen is om zich te ontdoen van de stof of het product. Dit volgt uit het arrest Brady (HvJ 3 oktober 2013, C-113/12, ECLI:EU:C:2013:627) en is later bevestigd in het eerder genoemde arrest Tronex. Alleen de houder kan bewijzen wat zijn bedoeling met de producten is. Bij het ontbreken van onvoldoende bewijs kan het bevoegd gezag de stof of het product als afvalstof aanmerken.

Voor elektronische producten geldt bovendien dat de houder moet aantonen dat hergebruik niet alleen mogelijk is, maar ook zeker is door vooraf controles uit te voeren met betrekking tot de werking van de apparaten en benodigde reparaties te verrichten. Bovendien moet de opslag en het transport op dusdanige wijze plaatsvinden dat de producten niet beschadigd raken. Zonder een deugdelijke verpakking aanvaardt de houder het risico op transportschade. In dat geval moet worden aangenomen dat hij zich van de producten wenst te ontdoen.

Tot slot

De kwalificatie van een stof als afvalstof (of niet) is maatwerk en komt in veel situaties voor. Denk daarbij aan onder meer vergunningverlening en handhaving. Voor vragen over afvalstoffen kunt u contact opnemen via onze contactpagina.

Gerelateerd

Wanneer is een vergunning vereist bij projectwijziging?

Voor het wijzigen van een project is niet in alle gevallen een nieuwe vergunning vereist. Wanneer een activiteit wordt aangemerkt als gewijzigde voortzetting...

Tussenuitspraak gedoogplicht in de Omgevingswet

De rechtbank Amsterdam heeft in een tussenuitspraak van 4 februari 2026 een interessant oordeel gegeven over de gedoogplichtregeling van artikel 10.11...

Afdeling kritisch op bevoegdheid burgemeester tot verwijdering van online berichten

Op 25 februari 2026 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State een negatief advies uitgebracht over het initiatiefwetsvoorstel Wet online aangejaagde...
Afdeling bestuursrechtspraak bekrachtigt onteigeningsbeschikking onder de Omgevingswet in hoger beroep

Raad van State: eerste uitspraak in hoger beroep bekrachtiging onteigeningsbeschikking

Op 4 februari 2026 heeft de Afdeling voor het eerst in hoger beroep uitspraak gedaan in een procedure tot bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking onder...

Gerechtshof Den Haag: Veevoerproducenten hebben geen recht op nadeelcompensatie voor omzetderving door uitkoop veehouderijen

In zijn arrest van 27 januari 2026 heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat twee veevoerproducenten geen recht hebben op nadeelcompensatie voor...

Novelle bij de Wet versterking regie volkshuisvesting: aanpassing regeling voorkeursrecht Omgevingswet

Op 13 januari 2026 heeft de regering een novelle bij het wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting (Wvrv) ingediend bij de Tweede Kamer. De novelle...
No posts found
Events

Aankomende online en live events

We delen diepgaande kennis en pragmatische inzichten over actuele onderwerpen in het vakgebied en de maatschappelijke thema's waar we dichtbij staan.

19
mei
2026
Seminar
Zorg & Sociaal domein
Flexibele personeelsinzet in de zorg: van strategie tot werkbare oplossingen

Hoe organiseert u als zorginstelling flexibele personeelsinzet die juridisch en fiscaal klopt? De druk op capaciteit en continuïteit groeit, terwijl de regels rond collegiale uitleen, het contracteren met uitzendbureaus, toelatingsvergunningen en btw meer aandacht vragen. Steeds meer zorginstellingen zoeken duurzame vormen van flexibiliteit, zoals regionale samenwerking, inzet van (buitenlandse) bemiddelings- en uitzendbureaus, vernieuwd werkgeverschap of het vergroten van interne mobiliteit. Tijdens deze kennissessie krijgt u inzicht in de belangrijkste strategische keuzes voor flexibele personeelsinzet, aangevuld met praktijkervaring uit onze multidisciplinaire begeleiding van samenwerkingen in de zorg. 

Arnhem
10:00 - 13:00
21
mei
2026
Seminar
Arbeid & Pensioen
Gelijke beloning onder de loep: bent u er klaar voor?

Nieuwe Europese wetgeving over loontransparantie verplicht werkgevers om beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen inzichtelijk te maken, te verklaren én waar nodig aan te pakken. Richtlijn (EU) 2023/970 stelt minimumvereisten ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning. Lidstaten moeten uiterlijk 7 juni 2026 aan de richtlijn voldoen; Nederland heeft te kennen gegeven te streven naar implementatie per 1 januari 2027. Middels dit seminar delen wij de kennis en handvatten die voor u van belang zijn.

Arnhem
14:00 - 17:00
Liever een inhouse training op maat?

Wij organiseren ook events op maat. Van kleine tot grote groepen, we zorgen voor een inspirerende sessie afgestemd op uw wensen. Informeer naar de mogelijkheden.

Contact opnemen