De uitspraak is vooral relevant omdat de rechtbank twee belangrijke punten scherp neerzet. Ten eerste bevestigt zij dat een gedoogplicht ook aan een overheid kan worden opgelegd. Ten tweede oordeelt de rechtbank dat het voldoen aan de criteria van artikel 10.11 Omgevingswet nog niet automatisch betekent dat de gedoogplicht ook daadwerkelijk mag worden opgelegd. Daarvoor is volgens de rechtbank een bredere belangenafweging nodig.
Waar ging de zaak over?
TenneT wilde gebruik maken van gemeentelijke grond in Amsterdam voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse hoogspanningsverbindingen tussen reeds bestaande en nieuw te realiseren hoogspanningsstations. TenneT en de gemeente Amsterdam hebben daarover overleg gevoerd, met als inzet het vestigen van een opstalrecht. Omdat geen overeenstemming over de vestiging van een opstalrecht werd bereikt, heeft TenneT de minister verzocht een gedoogplichtbeschikking op te leggen aan de gemeente. Die beschikking heeft de minister vervolgens ook genomen. De gemeente heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Gedoogplicht ook voor een gemeente
De gemeente voerde onder meer aan dat de gedoogplichtregeling niet bedoeld zou zijn voor situaties waarin een commerciële partij een gedoogplicht ten laste van een overheid wil verkrijgen. De rechtbank volgt dat betoog niet.
Volgens de rechtbank biedt de tekst van de wet, noch de wetsgeschiedenis steun voor het standpunt dat openbare lichamen anders moeten worden behandeld dan particuliere eigenaren. Daarmee sluit de rechtbank aan bij eerdere rechtspraak onder de Belemmeringenwet Privaatrecht (ECLI:NL:ABRVS:2017:1285; zie ook ECLI:NL:RBDHA:2023:15084). Dat een gemeente medewerking wil verlenen in de vorm van toestemming zonder opstalrecht, maakt dus niet dat een gedoogplicht per definitie buiten beeld blijft.
Minnelijk overleg: vasthouden aan opstalrecht niet onredelijk
Verder lag de vraag voor of wel sprake was geweest van een serieuze en redelijke poging van TenneT om minnelijk tot overeenstemming te komen met de gemeente tot vestiging van een zakelijk recht. De gemeente vond van niet, omdat TenneT bleef vasthouden aan een eeuwigdurend en niet-opzegbaar opstalrecht.
Ook op dit punt volgt de rechtbank de gemeente niet. Zij oordeelt dat voldoende inhoudelijk overleg heeft plaatsgevonden en dat het enkele vasthouden aan een opstalrecht niet maakt dat het voorstel van TenneT op voorhand onwerkelijk of onredelijk is. De rechtbank sluit daarmee aan bij bestaande jurisprudentie (gewezen onder de Belemmeringenwet Privaatrecht) over het minnelijk overleg bij gedoogplichten.
Criteria + belangenafweging
Een ander interessant onderdeel van de uitspraak bevindt zich in rechtsoverweging 6.1 tot en met 6.4. De rechtbank oordeelt dat uit artikel 10.11 Omgevingswet volgt dat de minister een gedoogplicht kan opleggen, als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Daarin ligt volgens de rechtbank besloten dat – ook als aan de voorwaarden is voldaan – nog een nadere belangenafweging kan volgen. De minister had zich op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in wezen al besloten ligt in de toets aan de voorwaarden van artikel 10.11 Omgevingswet, waardoor, als aan die voorwaarden is voldaan, de minister er niets meer van weerhoudt om een gedoogplicht op te leggen.
Volgens de rechtbank mocht de minister niet zonder nadere motivering een gedoogplicht opleggen, waarbij de minister concreet had moeten ingaan op de belangenafweging in dit concrete geval. De minister krijgt de gelegenheid om in een nieuw besluit alsnog een nadere motivering te geven.