Waar in dit artikel wordt gesproken van “eigenaar” wordt in voorkomende gevallen (mede) bedoeld andere gerechtigden en gebruikers, zoals bijvoorbeeld erfpachters.
Wanneer kwalificeert een verkeersbaan als ‘weg’ volgens de Wegenwet?
Voordat kan worden toegekomen aan de vraag of een weg openbaar is, moet eerst worden vastgesteld of sprake is van een “weg” in de zin van de Wegenwet. De Wegenwet geeft niet precies aan wat een weg is en wat niet. Wel bepaalt artikel 1 lid 2 Wegenwet dat onder “wegen” ook wordt verstaan voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen, andere verkeersbanen voor beperkt gebruik en bruggen.
De Afdeling heeft in haar rechtspraak uitgemaakt dat de Wegenwet betrekking heeft op verkeersbanen die een functie vervullen voor het afwikkelen van het openbare verkeer en die dus naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Of in een concreet geval aan deze omschrijving wordt voldaan is tamelijk casuïstisch. Wel biedt de rechtspraak een aantal bruikbare vuistregels:
- Een verkeersbaan die uitsluitend wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer dient geen grote, onbepaalde publieksgroep en is dus geen weg in de zin van de Wegenwet. Dat een weg doodlopend is wil niet zonder meer zeggen dat de weg daarom uitsluitend wordt gebruikt door bestemmingsverkeer (ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1781).
- Een pad dat een voor eenieder toegankelijke doorsteekmogelijkheid naar een andere weg biedt maar in de praktijk alleen wordt gebruikt door buurtbewoners heeft een te weinig algemene verkeersfunctie om te worden aangemerkt als een weg in de zin van de Wegenwet (ABRvS 3 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4744).
- Het openbare verkeer kan ook bestaan uit (uitsluitend) voetgangers (ABRvS 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2858).
- Een pad dat uitsluitend wordt gebruikt voor recreatiedoeleinden vervult geen functie ten behoeve van het afwikkelen van het openbare verkeer en is daarmee geen weg in de zin van de Wegenwet (ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2241).
- Parkeren is in zijn algemeenheid aan te merken als onderdeel van de afwikkeling van het openbare verkeer. Een parkeerterrein kan daarom een weg in de zin van de Wegenwet zijn (ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:807). Daarmee is niet gezegd dat iedere parkeerplaats een weg is. Zo is een parkeervak dat alleen kan worden gebruikt voor langsparkeren geen verkeersbaan die een functie vervult voor de afwikkeling van het openbaar verkeer en daarmee geen weg in de zin van de Wegenwet (ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1375).
Wanneer wordt een weg openbaar – en hoe eindigt die status volgens de Wegenwet?
Op grond van artikel 4 lid 1 van de Wegenwet is een weg openbaar indien zich een van de volgende situaties voordoet:
- wanneer de weg gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is
- wanneer de weg gedurende tien achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is en gedurende die tijd is onderhouden door het Rijk, de Provincie of de gemeente;
- wanneer de rechthebbende aan de weg de bestemming van openbare weg heeft toegekend.
Vanwege het bepaalde in artikel 4 lid 2 van de Wegenwet wordt een weg niet openbaar indien gedurende een tijdvak van ten minste één jaar duidelijk kenbaar is gemaakt dat de betreffende weg slechts met toestemming van de grondeigenaar toegankelijk is. Op grond van artikel 4 lid 3 van de Wegenwet kan de grondeigenaar dit kenbaar maken door het plaatsen opschriften als ‘eigen weg’, ‘particuliere weg', ‘private weg’ en soortgelijke of andere kentekenen.
Op grond van artikel 5 van de Wegenwet geldt dat, wanneer een weg niet in eigendom is van een overheid, de eigenaar de weg alleen een openbare bestemming kan geven (art. 4 lid 1 onder III Wegenwet) met medewerking van de gemeenteraad van de gemeente waarin de weg is gelegen. Daartoe moet de gemeenteraad een formeel besluit nemen. Wanneer de weg eigendom is van een overheidslichaam is geen formele medewerking van de gemeenteraad nodig. In dat geval is de manier waarop de overheid/eigenaar de weg een openbare bestemming kan geven vormvrij (ABRvS 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3221).
Degene die zich op de openbaarheid van een weg beroept draagt de bewijslast dat de weg inderdaad openbaar is geworden (ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:129). In voorkomend geval kan men daarbij worden geholpen door het bewijsvermoeden van artikel 49 Wegenwet. Op grond van dit artikel wordt een weg die voorkomt op de gemeentelijke wegenlegger vermoed openbaar te zijn. Dit vermoeden kan alleen worden weerlegd door aan te tonen dat de weg na de plaatsing daarvan op de wegenlegger heeft opgehouden openbaar te zijn.
Op grond van artikel 7 houdt een weg op openbaar te zijn indien zich een van de volgende situaties voordoet:
- wanneer de weg gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor eenieder toegankelijk is geweest;
- wanneer hij door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken.
Wie het bevoegd gezag is om een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken is geregeld in artikelen 8 en 9 van de Wegenwet. In veel gevallen zal dit de raad zijn van de gemeente waarin de weg is gelegen. Wanneer de raad ambtshalve een onttrekkingsbesluit neemt gelden de normale besluitvormingsprocedure en rechtsbeschermingsmiddelen van de Awb (bezwaar, beroep, hoger beroep). Wanneer het een besluit op aanvraag betreft is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing, en staat aan de aanvrager tegen een weigeringsbesluit geen bezwaar maar administratief beroep open bij Gedeputeerde Staten (art. 11 Wegenwet).
Wat zijn de juridische gevolgen van een openbare weg voor de eigenaar?
Indien een weg openbaar is in de zin van de Wegenwet heeft dit een aantal belangrijke gevolgen.
In de eerste plaats geldt dat de eigenaar op grond van artikel 14 van de Wegenwet verplicht is om al het verkeer over en het onderhoud van de weg te dulden. De eigenaar van een openbare weg mag deze dus niet afsluiten.
Op de eigenaar van een openbare weg rust de verplichting om deze te onderhouden. Dat geldt ook voor particuliere eigenaren, tenzij deze verplichting is overgegaan op de gemeente (art. 15 lid 2, 20 lid 1 of art. 26 lid 1 Wegenwet), of door verjaring teniet is gegaan (art. 23 Wegenwet).
Voor wegen buiten de bebouwde kom dient de omvang van de onderhoudsplicht te worden opgenomen in de Wegenlegger (art. 30 Wegenwet). De aansprakelijkheid voor de gebrekkige toestand van een openbare weg in particulier eigendom rust echter niet op de eigenaar, maar op de gemeente binnen wiens grondgebied de weg is gelegen (art. 6:174 lid 2 BW jo. art 16 Wegenwet). Om te zorgen dat de onderhoudsplicht voor een weg in particulier eigendom wordt nagekomen dient de gemeente de eigenaar daarop zo nodig (civielrechtelijk) aan te spreken, of zelf het onderhoud op zich te nemen (art. 20 lid 1 Wegenwet). In dat laatste geval is de grondeigenaar verplicht om het onderhoud van de weg door de gemeente te dulden (art. 14 lid 3 Wegenwet).
De openbare status van een weg heeft ook gevolgen voor de toepasselijkheid van lagere regelgeving, zoals gemeentelijke verordeningen. In veel gemeentelijke APV’s zijn bijvoorbeeld regels opgenomen over de bruikbaarheid van de weg, op grond waarvan het niet is toegestaan om zonder vergunning een weg af te sluiten of anderszins te wijzigen. Een dergelijke bepaling mag de Wegenwet niet doorkruisen door de eigenaar van een weg te verplichten om openbaar verkeer op die weg toe te staan buiten de reikwijdte van zijn duldplicht op grond van de Wegenwet (ABRvS 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3221). Een bepaling in een gemeentelijke verordening kan de eigenaar van een weg die niet openbaar is in de zin van de Wegenwet dus niet verplichten om de weg alsnog toegankelijk te houden voor het openbaar verkeer, als ware het wel een openbare weg in de zin van de Wegenwet.
Wat is het verschil tussen de Wegenwet en de Wegenverkeerswet 1994?
Tot slot, het begrip openbare weg in de zin van de Wegenwet moet worden onderscheiden van het begrip weg in art. 1 lid 1 sub b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Het verschil is dat een weg al een weg is in de zin van de WVW 1994 wanneer deze feitelijk voor het verkeer openstaat (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9558). Een weg in de zin van de WVW 1994 hoeft dus niet openbaar te zijn geworden op een van de gronden genoemd in artikel 4 van de Wegenwet (tijdsverloop, onderhoud door een overheid, toekenning openbare bestemming door de rechthebbende). Dit betekent dat de verkeersregels van de WVW 1994 ook van toepassing zijn op wegen die geen openbare wegen in de zin de Wegenwet zijn. De eigenaar van een niet-openbare weg moet bij het inrichten van zijn weg dus wel rekening houden met de verkeersregels. Zo is het op grond van art. 1a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) verboden voor anderen dan het bevoegd gezag om op langs of boven de wegen verkeerstekens aan te brengen. Dat geldt ook wanneer het een weg op eigen terrein betreft, mits de weg feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10652).
Heeft u vragen over dit artikel of over de Wegenwet in het algemeen? Bel of mailt u gerust met Lukas Wichern, specialist Wegenwet bij Dirkzwager.