Besluit van het college
De eigenaar van een perceel in Bergen op Zoom heeft een handelsonderneming waar zij metaaloppervlaktebehandelingen uitvoert, waarbij wordt gewerkt met reinigings- en ontvettingsmiddelen. Op basis van onderzoeken heeft het college van burgemeester en wethouders vastgesteld dat er sprake is van een ernstige grondwaterverontreiniging. De grondwaterverontreiniging moest met spoed worden gesaneerd, omdat risico’s voor mens en milieu als gevolg van onbeheersbare verspreiding niet kunnen worden uitgesloten. De eigenaar was het niet eens met het besluit, hoofdzakelijk omdat volgens haar onvoldoende vaststaat dat de grondwaterverontreiniging van haar perceel afkomstig is.
Onvoldoende onderzocht? Besluit onderuit
Op grond van de Wbb is sprake van één geval van verontreiniging wanneer de (dreigende) bodemverontreiniging betrekking heeft op grondgebieden die vanwege de verontreiniging zelf, de oorzaak daarvan of de gevolgen ervan in technisch, organisatorisch én ruimtelijk opzicht met elkaar samenhangen. Van technische samenhang is sprake wanneer de verontreinigingen voortkomen uit hetzelfde productieproces, dezelfde installatie of hetzelfde verontreinigingsmechanisme. Organisatorische samenhang bestaat als de oorzaak of de gevolgen van de verontreiniging kan worden toegerekend aan dezelfde organisatorische eenheid. Ruimtelijke samenhang is aanwezig wanneer de verontreinigingen zich voordoen in aangrenzende of nabijgelegen grondgebieden. Pas nadat het geval van bodemverontreiniging op deze wijze is afgebakend, kan worden beoordeeld of sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Die volgorde stelt de Afdeling uitdrukkelijk voorop, onder verwijzing naar haar eerdere rechtspraak.
De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan om te kunnen vaststellen dat er één geval van verontreiniging was. In dat geval kan niet duidelijk worden vastgesteld waar de bron ligt, waardoor onjuiste interpretaties van de verontreiniging, de risico’s en mogelijke saneringswijzen op de loer liggen.
Het besluit was daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en werd vernietigd.
Nieuw besluit onder Wbb niet meer mogelijk
Ter informatie van partijen voegt de Afdeling hieraan nog het volgende toe. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet blijft het vóór die datum geldende recht van toepassing op gevallen van ernstige bodemverontreiniging en saneringen waarop de Wbb betrekking heeft, mits vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet een besluit is genomen waaruit volgt dat spoedige sanering noodzakelijk is dan wel een (deel)saneringsplan is ingediend. Het besluit van het college waaruit volgt dat spoedige sanering noodzakelijk is, is door de Afdeling vernietigd. Het overgangsrecht is dus niet van toepassing, waardoor het college geen gebruik meer kan maken van de Wbb, maar terug moet vallen op het (gewijzigde) regime van de Omgevingswet.
Wanneer houdt een besluit over bodemverontreiniging geen stand?
Deze uitspraak benadrukt dat een besluit over ernst en spoedeisendheid van bodemverontreiniging zorgvuldig moet worden voorbereid. Wanneer mogelijk meerdere, aangrenzende bronnen aan de verontreiniging hebben bijgedragen, kan niet zonder meer worden aangenomen dat sprake is van één geval van verontreiniging, vooral niet wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat er meerdere oorzaken mogelijk zijn. Eerst moet voldoende worden onderbouwd dat de betrokken verontreinigingen in technisch, organisatorisch en ruimtelijk opzicht met elkaar samenhangen. Pas daarna komt de vraag aan de orde of sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging dat met spoed moet worden gesaneerd. Ontbreekt die afbakening, dan rust het besluit op een onvoldoende zorgvuldig onderzoek en kan het geen stand houden.